Gemeente van Christus, Er was niet zo lang geleden een enquête, een onderzoek onder middelbare scholieren, om te ontdekken wat zij eigenlijk wisten van de tien geboden. Aan ieder werd gevraagd: "Kan je een van de tien geboden noemen?" Iedereen wist er wel een. En sommigen wisten er vele, maar één gebod wist niemand. En dat was het tiende gebod. Alle geboden werden vroeg of laat door iemand genoemd, maar 'gij zult niet begeren' werd door niemand genoemd. De onderzoekers vroegen zich af hoe dat kwam. Ze verbonden dat met onze sterreclame en met onze consumptiemaatschappij. Want daar wordt iedere dag bij ons een beroep gedaan op onze begeerte. Wanneer verkoopt een bedrijf een nieuwe spijkerbroek? Wanneer verkoopt een garage een nieuwe auto, met vandaag de dag natuurlijk airconditioning? Natuurlijk als mensen er eerst naar verlangen! Je verkoopt geen enkel product als mensen er niet eerst naar gaan verlangen, als dus niet eerst de begeerte geprikkeld is. Dat weten de salesmanagers, en de reclamedeskundigen, die weten dat feilloos. Is er geen honger naar het product, dan verkoop je het nooit. Dat geldt ook voor letterlijke honger, een mens eet niet als hij geen honger heeft.
Dat is zo vanzelfsprekend, dat er geen enkele middelbare scholier ooit op de gedachte kwam dat begeerte op zichzelf niet goed is. Waarschijnlijk heeft hij gedacht: hoe kun je anders een welvaartsamenleving op gang houden? Hoe anders dan door voortdurend verlangen te prikkelen, door begeerte op te wekken? Het woord uit de zaligsprekingen wat we vanmiddag overdenken, dat sluit hier bij aan, ik moet eigenlijk zeggen: dat grijpt er op aan, het haakt er op in, met een weerhaak blijft het zitten. Er zit iets in van een ontmaskering als we deze woorden van Jezus zo heel ontwapenend als voor het eerst, maar dan vooral ook met het bovenstaande als achtergrond opnieuw beluisteren, en dan de accenten goed leggen. Jezus zegt: "Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, die zullen verzadigd worden." Er zijn duizend en één verlangens en begeerten, maar die blijven allemaal onverzadigd. Alleen die begeerte -hongeren en dorsten naar gerechtigheid- wordt verzadigd. Daarmee zitten we direct in het eerste punt van wat ik vanmiddag ter voorbereiding op het Avondmaal naar voren wilde brengen. Dat is -zoals we dat doen voor de Avondmaalsviering- zelfbeproeving.
De vraag die hierin natuurlijk op ons afkomt en bij ons doordringt dat is: waarnaar verlangen wij eigenlijk? Hongeren en dorsten naar gerechtigheid? Wat drijft ons ten diepste? Hebben wij dat tere gebied van onze diepste hunkering, want dat is eigenlijk de stuurcabine in de menselijke geest -dat hebben die reclamedeskundigen goed door- , hebben wij die stuurcabine wel voldoende beschermd? Afgeschermd tegen al die prikkels die ons dagelijks omringen? Wat drijft ons ten diepste? hebben we onze diepste verlangens echt op het goede doel gericht? En wat is dat? Of hebben we het laten overwoekeren door valse begeerten, vervuiling van de stuurcabine van die geest? Dat zit ook in dat woord uit Jesaja, dat diepe protest, waarom geeft het volk toch geld voor wat niet verzadigen kan? Dat is de eerste vraag waar we vandaag bij de inleiding op het Avondmaal bij stil willen staan. Er zit een stuk maatschappijkritiek in, en een indringende vraag aan ons persoonlijk. Maatschappijkritiek: ja, zitten we wel op de goede weg? Als we meedoen aan een samenleving waar permanent de honger en de dorst wordt geprikkeld, wordt opgeroepen. Maar honger en dorst waarnaar?
Ja, geluk, dat is wat de mensheid drijft. En ook onze welvaartmaatschappij: zalig die hongert en die dorst naar geluk. Maar het wonderlijke is, en dat zit in de ondertoon van Jezus' woord: Wie hongert en dorst naar geluk wordt nooit verzadigd. Je oog wordt steeds groter, en als je denkt dat je je maag vol hebt, dat wordt je maag steeds wijder. En de horizont van verzadiging die wijkt altijd weer weg. De consumptiemaatschappij kan eeuwig doorgaan. Er is altijd wel weer iets nieuws te bedenken waarnaar mensen begeren. En tenslotte blijf je uitgeput achter. En nooit zal een mens die uit is op geld of bezit of macht of seks zeggen: ja, nu heb ik het, nu is mijn beker verzadigd, nu ben ik vervuld. Integendeel, van de vele voorbeelden die me voor de geest kwamen heb ik er één uit genomen van de bekende Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway. Toen hij op het toppunt van zijn macht was, eer en aanzien had, zijn boeken wereldwijd werden verkocht, hij had geld, hij had roem, hij eigenlijk alles wat het hart begeert, toen schoot hij zichzelf een kogel door het hoofd.
En in zijn naschrift vertelde hij dat hij had verwacht vrede en verzadiging te vinden, maar hij viel toen hij alles had in een diep gat. Was dat het?? Het woord uit de zaligspreking stelt ons voor een toets, ook ieder persoonlijk voor een kritische vraag. Misschien zegt u op die vraag: wat is dat diepste verlangen nu bij mij?, och welvaart kan mij niet zo veel schelen, als ik maar gezond ben, als het maar goed gaat met mijn gezin, met mijn kinderen, mijn vrienden, en als ik maar in vrede mag zitten onder mijn vijgenboom. Dat is het geluk wat ietsje dieper gaat, maar wat de meesten van ons zal drijven. Ook dat is een onderdeel van de mensheid op zoek naar geluk, en zelfs hier zaait de bergrede twijfel. Is het echt zo, dat dat ons leven geluk geeft? Kan je met dat geluk uiteindelijk voor God komen? En zeggen: "Heer, dat is het wat mijn leven hier op aarde zin gaf."? Geluk is een bijproduct. Zodra je geluk tot je hoofddoel maakt, dan zal het je bij de handen afbreken. Je blijft onverzadigd achter. Geluk is een bijproduct als je je begeerte, je diepste verlangen, richt op de zaak die het waard is.
Jezus zei niet: Zalig wie hongeren en dorsten naar geluk, ze zullen verzadigd worden, nee, Hij zei: "Zalig wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, die zullen verzadigd worden!" Dat is dat totaal andere van de bergrede. Wat heeft Jezus daar nu mee bedoeld? Dat leidt me tot het tweede: de overdenking van wat gerechtigheid is. Zo gaat het in het formulier ook: eerst zelfbeproeving, en dan overdenking van de kern. Zelfbeproeving schept vragen, breekt ons open, schudt ons wakker: waarom weegt ge geld af voor wat geen verzadiging geeft? En dan nu een kort moment van overdenking van de kern, wat we straks gaan vieren bij het Avondmaal. Wat is die gerechtigheid? Dat is de inhoud van de viering van het Avondmaal. Als ik dat in een paar zinnen moet zeggen is dat heel moeilijk, maar dan zou ik toch zoiets zeggen als: gerechtigheid is dit, dat alles, heel de schepping en heel mijn leven, gaat beantwoorden aan de bedoeling van God. Dat noem ik gerechtigheid. Je kan het ook anders zeggen: gerechtigheid is dit dat de zonde niets meer bederft. Dat niet alleen de zonde zelf, maar ook de gevolgen van de zonde uit de schepping en uit mijn leven zijn weggetrokken, ja dan is er gerechtigheid.
Ik kan het nog weer anders zeggen: gerechtigheid is dat mijn hart vrede vindt met God, en met mijn medemens, en met de natuur rondom mij heen: dat is gerechtigheid. De bijbel geeft er voorbeelden bij. Het beste voorbeeld vind ik die kleine gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar. De farizeeër zegt alleen maar: "O God ik dank U". Hij is helemaal vervuld, je zou zeggen: bij hem is de beker al vol, hij is verzadigd, helemaal vervuld van wat hij heeft en wat hij kan en wat hij voor God gedaan heeft. Blij met zijn plek, blij met zijn geestelijk leven. Maar de tollenaar is daar doorheen gezakt en die zucht maar één ding en dat is: "O God, wees mij zondaar genadig". Daar proef je nu dat hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Het is ineens doorzien wat die tollenaar deed, het is ineens doorzien dat geld en positie en macht en huiselijk geluk en een lang leven, dat ze de diepste verlangens niet verzadigen.
En dat dan toegeven, en dat erkennen als dwaasheid, en dan zeggen: "O God vergeef het me, en laat me met U verder mogen gaan." Als wij dat voor God doen, en vanmiddag het Avondmaal vieren, dan doen we dat met die bede in ons hart: "Heer, als ik begeerte zet op dingen die niet uit U zijn, het is niet wat ik wil, vergeef het me." En we stoten dieper door, misschien bij de één dramatischer dan bij de tollenaar, en bij de ander in stilte en in het verborgene, zoals dat bijvoorbeeld plaats vond bij Nicodemus, nadat hij met Jezus dat gesprek heeft gehad (in Johannes 3) is dat in stilte bij hem doorgegaan. En we lezen in Filippenzen 3, dat Paulus, ook een farizeeër naar de wet, zegt: "Alles doe ik om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding, gemeenschap aan Zijn lijden, om te komen tot de opstanding uit de doden." En dan zegt Paulus: "Nee, niet dat ik het al bereikt zou hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht. En waarom? Omdat ik ook door Jezus Christus gegrepen ben". Want Jezus is de leraar der gerechtigheid.
Hij wekt in ons die honger, en dan gaan we ons achter Hem aan uitstrekken naar dat totale levensherstel, want dat is gerechtigheid: totaal levensherstel. We leren dat bij het Avondmaal, dat is zelfs de kern van de viering. Bij het Avondmaal wordt ons voor ogen gesteld hoe God de weg gebaand heeft tot totaal levensherstel. Daarom is het Avondmaal in de eerste plaats voorteken van een feest. Jezus zegt: "Ik eet en drink dit met u, totdat ik haar -het brood en de wijn- met u nieuw zal eten en drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader." Dat is een heenwijzing naar het grote feest wat komen gaat. En aan het Avondmaal gedenken we hoe Hij de weg daartoe heeft opengebroken. Er zijn dus twee momenten, ook in gerechtigheid. De gerechtigheid wordt door Jezus vervuld, gerealiseerd, volbracht, maar tegelijkertijd is het ook die uiteindelijke uitkomst tot totaal levensherstel, de vernieuwing, leven naar Gods bedoeling. En dat is precies wat we bij het Avondmaal vieren. Eigenlijk is het Avondmaal een generale repetitie. Toen de grote Chinese leider Deng overleed, trof het me dat ze op de televisie de generale repetitie van de begrafenis lieten zien.
De dag ervoor was er een soldaat die Deng moest voorstellen, en die werd gedragen, en de stoet ging precies de route langs, en er waren mensen die speelden de familie, de saluutschoten weerklonken, alles werd ter voorbereiding ingeleefd. Zo is het ook met het Avondmaal. We vieren al even de bruiloft van het Lam, de bruiloft tussen Christus, de bruidegom, en ons, de gemeente, als het Koninkrijk gekomen is en alle tranen van de ogen zijn afgewist. En we doen dat niet zomaar, we hebben er een basis voor. Want God heeft Zijn Zoon gezonden, en Hij heeft aan de gerechtigheid voldaan. Zoals we lezen in het oude Avondmaalsformulier heeft Jezus aan het kruis, heeft Hij van het begin van Zijn leven tot aan het einde, heeft Hij de toorn van God tegen onze zonden weggedragen, Hij werd in de hof van Getsemane gebonden, opdat wij zouden worden ontbonden. En Hij leed ontelbare smaadheden, opdat wij nimmer te schande zouden gemaakt worden. En Hij is onschuldig ter dood veroordeeld, opdat wij voor het gericht van God vrijgesproken zouden worden. En zo heeft Hij de vervloeking op Zich geladen, om ons met Zijn zegening te vervullen. Dat is wat wij vieren bij het Avondmaal.
De dood en de opstanding van Jezus Christus. Zo heeft Hij de relatie met God hersteld. En wij? We gaan alvast vooruitgrijpen, een generale repetitie op het totale herstel. Als straks Jezus terugkeert en alle dingen nieuw worden dan vieren we een feest, het bruiloftsfeest van het Lam. Dit is nog maar een voorproefje, een generale repetitie. En inderdaad, soms lijkt het er nauwelijks op, was is nu dat kleine slokje wijn en dat kleine stukje brood? Maar een kinderhand is gauw gevuld, en wie echt gelooft, die ziet ook dat kleine wonderlijke gebeuren hier in de kerk met andere ogen. Die ziet er wat in, want dat is geloven. Bij het gebroken brood denken we aan Zijn liefde, die voor ons de gerechtigheid verwierf. En bij de geheven beker zien we totaal levensherstel. We toosten erop, op het extra van Gods overvloeiende genade, waarmee Hij Zelf straks alle dingen vernieuwen zal. En dan zullen de doden zijn opgestaan, ook de kinderen die gestorven zijn, en de blinden zullen zien, en de suïcidalen bruisen van levenslust, en de gedeprimeerden stralen, en heel het leven is straks van de zonde verlost. Bevrijd van de gevolgen van de zonde. Dat voor ogen houden en daar dan naar hunkeren.
Hongeren en dorsten betekent er naar hunkeren. En dat is Avondmaal vieren. Want daarvoor, voor dat totale levensherstel, is het Avondmaal de generale repetitie. En dat leid me tot het derde en het laatste punt. Met dit woord aan het slot: want zij zullen verzadigd worden, daarmee worden we eigenlijk aan het Avondmaal genodigd. Zalig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Daar zit een nodiging in, er is op de hele wereld maar één plaats waar verzadiging beloofd wordt, verzadiging van onze diepste verlangens, en dat is aan de voeten van Jezus. Daarvan is de viering het Avondmaal een voorproefje, daar worden de ogen geopend voor de aan ons voltrokken genade, en daar komt de Here in brood en wijn tot ons, en daar wekt Hij, daar verzadigt Hij het verlangen naar totaal levensherstel. Dat noemt Jezus verzadiging. Verzadiging, daarvan kan je alleen spreken als dat wat je gegeven wordt de verwachting overtreft, dan wordt het verzadigd. En dat is precies wat Jezus bedoelt. We zullen niet quitte spelen, we zullen niet zeggen als we daar zijn: "Ja, dat hadden we wel zo'n beetje verwacht". Zo zal het niet zijn.
Nee, in Gods liefde, door Jezus, zit een diepte en een reikwijdte die onze diepste dromen overtreft. En dat is de verzadiging. En brood en wijn worden door de Heilige Geest een middel waarlangs die verzadiging in ons wordt opgeroepen, waarin de hunkering daarnaar wordt versterkt, en de zekerheid dat dat ze komt, bevestigd, boven bidden en beseffen. Meer dan wij doorhebben zal de Here in ons werken. Hier en nu en straks. Hier en nu als Hij door de viering van het Avondmaal in aanvechting kracht geeft, en in schuld vergeving, en in onze vreugde verdieping, en in ons verdriet steun. Zo komt Christus in ons, en geeft boven bidden en wensen, hier en nu al. Maar dat geldt natuurlijk met name ook voor de toekomst. Wie hunkert naar genezing van onze gebroken wereld, mag bij het Avondmaal gelovig uitzien naar de wederoprichting van alle dingen. Dat is ons beloofd. En God zal onze diepste verlangens vervullen. Sterker nog: verzadigen. En ook daarvan geldt dat het al onze voorstellingsvermogens te boven gaat als er straks een nieuwe hemel is en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. De aarde wordt vervuld van gerechtigheid, zegt Petrus. En alle volken zullen heenstromen naar Jeruzalem.
Dat profeteert Jesaja. De zwaarden zullen worden omgesmeed in ploegscharen, speren tot snoeimessen. En Jezus zegt hier: "De treurenden worden vertroost, en de zachtmoedigen gaan de aarde beërven, die krijgen de touwtjes in handen, en de vernederden worden opgericht, en de reinen van hart zullen God zien." Dan wordt heel deze in zijn voegen gekraakte schepping rechtgezet, en ze zal er staan voor God en Hij is onze vrede. Dat wordt ons beloofd bij het Avondmaal. En daarin zit een nodiging: "Komt, en smaakt dat de Here goed is". Amen. ©1997 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.