Gemeente van Christus, Veel mensen van vandaag zijn geestelijk op zoek. Ze komen er niet voor naar de kerk, maar ze zoeken het bij groei- trainingen, of bezinning-weekends, en vanmorgen op de radio heb ik nog geluisterd naar Jomanda. Achter ons huis staat een spiritueel centrum. Het heet "de Regenboog" en is open voor iedereen. En u weet: het thema van de boekenweek was "mijn God". Dat wil zeggen mijn God, iedereen de zijne. Ik las gisteren een bijzonder citaat uit een brief van de franse piloot en intussen erg bekende schrijver Antoine de St. Exuperie. En die zegt: "Och, er is in deze wereld eigenlijk maar één probleem: hoe kan men de mensen het besef teruggeven van de geestelijke betekenis van hun bestaan?" En dan gaat hij verder: "Men kan niet langer leven van ijskasten en politiek, van balansen en kruiswoordraadsels. Dat kan men niet langer." Kunnen wij daar zo maar bij aanknopen? Die vraag dringt zicht op: laat dit, het zoeken naar spiritualiteit, zich nu naadloos verbinden met christelijk geestelijk leven, met christelijke spiritualiteit? Zijn het eigenlijk allemaal variaties op hetzelfde thema? Of is Christus uniek?
Die vraag willen we vanmorgen, en ook de komende zondagen overdenken. In de taal van Francis Schaeffer: What is true spirituality? Zo noemde hij zijn eerste boek: Wat is nu waar, echt, geestelijk leven? Want wat geldt van kunst, dat geldt ook van geloof: er is kunst en er is kitsch. Er is ware en er is valse spiritualiteit. En het is best de moeite waard, en heel belangrijk dat we vandaag ons daar heel diep mee gaan bezig houden, en openstaan, luisteren naar wat God daar over te zeggen heeft. En dat doen we vanmorgen door te luisteren naar de Bergrede. Nergens vinden we in zulke sobere bewoordingen, in een enkele pennestreek de beschrijving van die geesteshouding. Het zijn negen zinnen, maar acht en negen zijn eigenlijk een herhaling van hetzelfde. Het zijn eigenlijk acht - twee keer vier - zinnen, de beroemde zaligsprekingen. Hoe lezen we ze? We zijn er vorige week al mee begonnen. We lezen ze niet als acht eisen waaraan wij moeten voldoen, maar als acht beloften. Acht beloften die we mogen ontvangen als we in Christus tot die geesteshouding die daar in enkele pennestreken wordt neergezet, uitgroeien. Er is hier een parallel met de wet van de tien geboden.
Dat zijn ook geen tien eisen waaraan wij eerst moeten voldoen, en pas daarna zouden we ons kinderen van God mogen noemen? Het is precies omgekeerd! Ook de wet van de tien geboden begint met: "Ik ben de Here, uw God. Dus jullie zijn Mijn kinderen! En Ik heb je uitgeleid uit het diensthuis Egypte. Ik ben Uw God en Vader, jullie zijn Mijn kinderen, doe dan dit en dat, anders raak je die vrijheid kwijt. Dan word je opnieuw slaven." Wordt wat je bent, zo zou je het kunnen zeggen. En dat geldt precies eender voor de bergrede, en hier dit begin, die zaligsprekingen, die hebben precies dezelfde vorm. Eerst lezen en horen we wie Christus is, Hij staat daar voor hen, dat staat an het slot van Mattheüs 4, en Hij verkondigt hen het evangelie van het Koninkrijk, het nieuwe verbond, de heilstijd die nu gekomen is, het jubeljaar, en dan zegt Hij: "Kijk, als je in Mij blijft dan is dit de belofte. Daarom heet de bergrede ook de bergrede. Daar zit natuurlijk iets achter: toen ging Hij de berg op en Hij sprak. Wie deed dat nog meer? Wie was daar vroeger, die ook de berg op ging, en toen de woorden van de levende God meenam en verkondigde? Mozes!
Zo laat de bergrede ons eigenlijk voelen: hier staat de nieuwe Mozes. Meer dan Mozes staat hier! "U hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is", -dat komt steeds als een ritme voor in de bergrede- dat is Mozes, "maar Ik zeg u...", en dan komt de verdieping en de vervulling. Op dit punt moeten we dus de eenheid vasthouden tussen het oude en het nieuwe verbond, tussen Mozes en Jezus. Ook Jezus, net als Mozes, ze begonnen met het evangelie. Mozes: Ik ben de Here uw God, Ik heb u bevrijd. En Jezus Christus zegt: "Ik ben niet gekomen om te verderven, maar om te behouden! En omdat jullie Mijn discipelen zijn: zalig ben je! En daarom moet je uitgroeien tot zo'n arme van geest." Ook Jezus begint met beloften, met wat we hebben, met wat we zijn. Met genade, en dan zit daar in ingebouwd de nodiging, de prikkel en de uitdaging. Natuurlijk, als we dit lezen -zalig de armen van geest, zalig die treuren- dan zit daarin de prikkel van: maar ben je het ook echt, een arme van geest, een reine van hart? Zijn we dat echt, zachtmoedig, barmhartig?
"Nu", zegt Jezus, "als je daar op dat punt je gemis beseft, kom dan tot Mij en Ik zal je met Mijn Geest vervullen en je omvormen naar Mijn beeld." Met deze woorden en dit eerste punt heb ik zo in grote lijnen als het ware de toonzetting geschetst van de bergrede. Zo lezen we de bergrede en de zaligsprekingen. Maar dan nu terug naar die vraag: hoe wordt hierin nu aangegeven war ware spiritualiteit is? Welk totaalbeeld krijgen we hier? Ik vind dat nog steeds het scherpst geformuleerd door Francis Schaeffer in dat boek 'True Spirituality', vertaald in het nederlands: 'Leven door de Geest'. Waar geestelijk leven is een wondere combinatie van zwakheid en kracht. Hij noemt dat met die vreemde paradoxale uitdrukking: actieve passiviteit. En ik denk inderdaad dat daar het kernverschil ligt tussen Christus en de New Age. Want alle moderne visie op spiritualiteit ziet de geestelijke dimensie in de mens als een stukje van de rijkdom van de mens. Hoe diep de mens ook ontaard is, hij heeft een goddelijke kern. Hoe grote materialist hij ook is -en in hun stramien mag je het ook blijven- hij heeft toch altijd een gouden rand.
En hoe diep de mens ook gevallen is, hij heeft zolang hij mens is in ieder geval toch die geestelijk diepte. Spiritualiteit in de negentiger jaren is eigenlijk het gouden aureool rondom een verder imperfect mens. Het is dus een stukje van zijn diepste bezit. Het is een kwaliteit. Spiritualiteit als verkoopartikel. Emil Ratelband verkoopt het als een produkt voor hoge prijzen. En hij zegt: zalig de mens die beseft hoe een ongelofelijke potentie hij in zichzelf heeft. En hij zou er aan toe kunnen voegen: en zielig de armen van geest, en zielig wie treuren. Maar dat is spiritualiteit als verborgen rijkdom in de mens, in de zichzelf verwerkelijkende mens, die alle kracht uit zichzelf put en in zichzelf heeft, en uit zichzelf moet halen. En die zich niet hoeft te bekeren. Dat is in de negentiger jaren moderne spiritualiteit. En zet daar nu eens de bergrede naast? En ga dan eens opnieuw luisteren, om dat contrast te proeven. Dat is precies het omgekeerde. De ware spiritualiteit is eigenlijk die van de faillietverklaring van de mens. Het is eigenlijk het totaal met lege handen staan. Zalig -zou je kunnen zeggen- is de mens die het niet heeft.
Die niets in zichzelf heeft waarin hij nog vertrouwen stelt dan alleen in God. En dat totaal met lege handen staan voor God, dat is de arme van geest. Jesaja 66 is vorige week gelezen, en Meint van de Berg heeft het vorige week met name in het tweede deel van zijn preek heel duidelijk uitgelegd. De arme van geest is de mens die niets meer heeft om op te vertrouwen dan alleen God. Dat is de arme van geest, de ootmoedige. Maar eigenlijk doortrekt die inzet alle acht andere zaligsprekingen, en in alle acht komt maar één soort mens naar voren. Het is de mens die niet sterk is in zichzelf, maar die zijn ware staat heeft leren kennen. Ik denk hierbij aan het beeld van Zadkin, in Rotterdam, die zo smartel_ke gestalte van een man die een gat heeft in zijn romp. Het lijkt wel alsof zijn hart eruit gescheurd is. Waar de spil zit, waar bij ons altijd en eeuwig alles om draait, daar is bij hem een gat. En toen ze bij de onthulling van het standbeeld aan Zadkin vroegen: "Wat heb je daar eigenlijk bij gedacht?" toen zei hij: "Ik hoop dat er vogeltjes zullen komen om in dat gat hun nestje te bouwen.". Daar moet ik altijd aan denken wanneer ik in Rotterdam langs dat beeld rijd.
Eerst die leegte, en dan vanuit de hoge, de vogel, die een nest van nieuw leven daar bouwt. Zoiets loopt als een rode draad door de zaligsprekingen. Een zwitserse bijbeluitlegger typeert de bergrede met het duitse "Umwertung aller Werte". Het is een totale wending, de man die met totaal lege handen staat, en die een gat heeft waar zijn egocentrische hart zat, die wordt nu juist gelukkig geprezen. Jezus zegt: je denkt dat je arm bent maar, man, vrouw, je moest een weten hoe rijk je bent als je daar bent. Je denkt dat je arm bent als je alleen nog maar op God vertrouwt, maar je moest eens weten, eigenlijk is heel het werk van God erom begonnen ons eindelijk eens zo ver te krijgen. Want zulke lege handen gaat God vullen. Voor zulken is het Koninkrijk. Schaeffer noemde dat actieve passiviteit. Het is in de kern passief, want ik laat los en ik erken mijn onmacht, ik besef mijn leegte, mijn zwakte, mijn schuld. Ik zeg met Paulus: ik, ellendig mens. Maar daarvan maak ik -dat is uiterst actief- mijn kracht. Dat is actieve passiviteit, in mijn onmacht mijn kracht zoeken. Dan wordt de rechtvaardiging van de goddeloze tot het centrale werkzame principe in de heiliging.
Want die twee staan niet los van elkaar. Ik laat mij in mijn leegte vullen vanuit de hoge. Heer, ik ben onvruchtbaar, maar werkt U Uw vruchten door mij. Ik kom nu tot het derde en laatste punt. Ik focus nu, ik zoom als het ware in op een onderdeel van de zaligsprekingen die ik vanmorgen bespreek, de tweede zaligspreking. Die leert ons: dit geestelijk leven draagt altijd in zich iets van smart, van pijn. Het gaat niet zonder tranen. En dat lijkt op het eerste gezicht zoiets sombers. Lijdensmystiek, mompelt de één. En een ander denkt aan huilebalken of zwarte-kousenkerk. Ik zou het vanmorgen daar wel eens totaal uit weg willen trekken. Trouwens, Jezus Zelf leert drie verzen verderop in de bergrede: als jullie somber zijn: was je gezicht en toon een vrolijk gelaat. Geen as op het hoofd en gescheurde kleren. Toon dat verdriet alleen aan je Vader in de hemel, en Hij zal het je vergelden. In die lijn ligt dat woord van Jezus: zalig die treuren, want ze zullen vertroost worden. Ja, dat heeft niets te maken met zelfkwelling of zwarte kleren of triestigheid, maar het betekent eigenlijk dit: het doorstoten van mijn puur persoonlijke privé-ervaring naar het alles-omvattende.
Nu zeg ik het een beetje abstract, maar ik zal dat invullen. Je zou kunnen zeggen: het is in de kleine pijn de grote pijn voelen. Het is eigenlijk treuren en treuren gaat niet samen met huilen. Er staat niet 'huilen', er staat niet 'jammeren', helemaal niet 'klagen', maar er staat treuren. Misschien helpen voorbeelden ons het best. Hanna, in het oude testament, ze kon geen kinderen krijgen, dat was haar "kleine" verdriet. Klein tussen haakjes dan. Peninna had zonen en dochteren, dat doet zeer. Elkana wilde haar troosten met dat verdriet, en dat was natuurlijk heel lief van hem, hij zei: "Maar ben ik je dan niet meer waard dan tien zonen?" Maar Hanna heeft zich daardoor toch niet ten diepste getroffen geraakt gevoeld, want het eigenlijke verdriet van Hanna lag dieper, er zat een verdriet onder haar verdriet. En dat blijkt in 1 Samuël 2, als ze daar dat gebed bidt in de tempel en als dan ineens blijkt dat het haar nog niet eens gaat om zelf een kind te hebben, want ze zegt: "Heer, als ik een kind krijg, dan is het van U." En dan geeft ze het los, uit handen. Dus waar ging het haar dan uiteindelijk om?
In dat gemis heeft ze diep beseft dat ze onvruchtbaar was voor het Koninkrijk, voor de voortgang van de Messiaanse belofte, voor Zijn werk! En ik denk dat daar de kern ligt van dat treuren. Wie treurt in de zin van de bergrede, dat zijn degenen die in de erkenning van hun eigen tekort eigenlijk pijn hebben over het feit dat ze God niet actief zien in de wereld, in hun leven. In de erkenning van hun eigen tekort, want dat treuren raakt mijn zonden, in het perspectief van de gevallenheid van de wereld, en het raakt de gevolgen van de zonde, waar heel de wereld door uit zijn voegen geraakt is. Wie treuren dat zijn mensen die in het kleine van hun eigen ongeloof en schuld, hun eigen gebrokenheid, het grote beseffen en laten doorklinken. Wie treurt, zei ik al, zegt met de apostel Paulus: ik, ellendig mens. De Engelsen hebben daar een mooie uitdrukking voor, die zeggen: 'confession', belijdenis van schuld, is niet genoeg. Maar je hebt ook 'contrision' nodig. Confession en contrision, samen horen bij het komen voor God. Erkennen dat we zondaar zijn is confession, maar contrision is de gebrokenheid van het hart daarover. Het is rouw dragen, berouw hebben daarover.
Dat is het wat Paulus had in Romeinen 7 toen hij zei: ik ellendig mens. Wat Petrus had na de verloochening, zoals we dat lezen: en hij weende bitter. Maar het is ook wat Hanna had, het is het lijden in mijn eigen kleine leven onder de gebrokenheid van de zonde, en dan ineens beseffen hoe dat verbonden is met de Gebrokenheid met een hoofdletter, en met de afwezigheid van God, en de gevolgen van de zonde. Christen zijn kan nooit zonder tranen. Er was een filosoof die zei: de traan werkt als een loep, je ziet er de werkelijkheid drie keer zo scherp door. En zo is het ook. Door de tranen heen zien we ineens hoe erg die zonde is van de ik-centrale mens die heel ons menszijn verwoest. En door de tranen heen zien we de waarheid van hoe erg het is, een wereld vervreemd van God. En door de tranen heen verdiept zich ineens het verdriet van het kleine tot het allesomvattende. Eigenlijk is dan dat ik doodga niet meer zo erg, maar dat het zover gekomen is dat de dood de goede schepping van God komt binnendringen en zo verwoestend kon doorgaan en zoveel schade aan kon richten dat universeel allen sterven. Dat is erg. Treuren heeft dus altijd iets in zich van een verdriet onder een verdriet.
Om het vanuit de bijbel kort samen te vatten: wie treurt treurt om de zonde en om de gevolgen van de zonde. En in dat verdriet is het ineens geworden tot het verdriet van God. Ineens gaan we door de tranen in de pijn iets beseffen van Gods tranen, en Gods pijn. Want daarom las ik het nieuwe testament. Jezus die weende, weende over Jeruzalem en haar schuld, haar verlorenheid. Jezus die weende over Lazarus, dat kleine werd voor Hem een venster tot het grote, Hij werd verbolgen in de geest. Hoe het ooit zover kon komen dat de boze, de vijand van God, zoveel kwaad kon aanrichten. Dat zijn de tranen van God. Maar dát treuren, zegt de bergrede, heeft een belofte. Bij Jezus natuurlijk allereerst, want dat treuren is het dragende motief geweest waarom Hij zelfs aan het kruis ging, om die zonde uit de wereld te verwijderen, en de gevolgen van de zonde op te heffen. En die belofte, die daaraan gehecht zit, die geeft Hij door. Dat treuren, zegt Hij, heeft een belofte. Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden. Er is een belofte, de parakleet: Ik zal u een ander, een Trooster zenden, lezen, we. Woorden van Jezus.
Ik zal u een Ander, een Trooster zenden, de Parakleet, en Hij zal u troosten en in eeuwigheid bij u zijn. En de bijbel eindigt met de belofte: straks zal God komen om onder ons te wonen en Hij zal alle tranen van onze ogen afwissen. Ik eindig met een krantebericht. Het was het krantebericht wat me het meest trof toen ik terugkwam van vakantie. Dan blader je zo de kranten door, en ineens, in de Volkskrant, las ik dat bericht, over Christus, die een nieuwe face- lift krijgt. Er is een groot beeld, een groot schilderij van Christus in het Vaticaan, en het Vaticaan heeft aan een schilder, Claudio Pastro, een opdracht gegeven om dat beeld, dat schilderij van Christus over te schilderen. En, wordt er verteld, hoe hij dat doet. In ieder geval moeten die tranen van Zijn gezicht. En dat lijden moet weg. Dat was uit de derde eeuw, maar wij leven in de twintigste eeuw! En die schilder krijgt de opdracht dat beeld van Christus over te schilderen: de tranen moeten weg en er moet iets van een stille triomf komen. En de europese Christus mag voor mij inderdaad overgeschilderd, het moet nu ineens een multi-raciale braziliaan worden. Nu, dat lijkt mij geen vooruitgang.
Ik denk, wat je hier dus eigenlijk weer aantreft, en ik eindig door weer terug te grijpen naar het begin: die twintigste-eeuwse spiritualiteit sluit die nu naadloos aan bij de bergrede, bij Jezus Christus Zelf? Ik zie dit bericht van het overschilderen van dat beeld als een illustratie bij wat het hoofdverschil is. Tussen de zelf- centrale, jezelf ontwikkelende en verwerkelijkende spiritualiteit van de negentiger-jaren -weg met de tranen en daarvoor inde plaats stille triomf, vooruitgangsgeloof- dat is de nieuwe Christus van de jaren 2000. Maar het is wel de valse Christus. En wij willen ons vasthouden aan de Christus van de Schriften. Geen europeaan, geen blanke, geen braziliaan; het is een jood. Hij is Zoon van David en dat zal Hij altijd blijven. En Zijn heil omvat alle volkeren. En wat Hij wel is dat hebben we gezien. Hij is het model: de arme van geest, Hij is het! Die treurt: Hij is het. De zachtmoedige: Hij is het. Die hongert en dorst naar de gerechtigheid: Hij is het. De barmhartige, de vredestichter, en Hij zegt ons deze dag: "Zalig die treuren." Hij treurt, want zolang de wereld nog niet totaal bevrijd is dan is het doel van God nog niet tot z'n eindresultaat gekomen.
Hij treurt, Hij is zelf het Lam van God, Hij gaf zijn leven om de zonde weg te dragen, en alles wacht nu op de finale, dat ook de gevolgen van de zonde uit de schepping worden verwijderd. En Hij zegt: "Jullie die treuren, je zult vertroost worden. Het werk gaat door. En intussen: blijf wie je bent. Arm van geest, treurend, zachtmoedig, hopend en hongerend naar gerechtigheid." In Lucas staat: Zalig zijn jullie...... Dat heeft Jezus gezegd, en we zijn het in Hem. Zalig zijn jullie armen van geest, zalig jullie die nu wenen, blijf wat je bent, en vandaar uit, laat je steeds weer terugvoeren naar wat je bent: wordt wie je bent. Je staat onder een hoge belofte. Het Koninkrijk, de troost, de aarde, verzadiging van vreugde. Zoek in die zwakte je kracht. Amen. ©1997 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.