Gemeente van onze Here Jezus Christus, broeders en zusters, Nadat de Hongaarse opstand in november 1956 door de Russen was neergeslagen, werd in Boedapest een massa- bijeenkomst van vooraanstaande Hongaren georganiseerd om de loftrompet te steken op het communisme. De sprekers probeerden elkaar te overtreffen in het wijden van hoogdravende, lovende woorden aan het adres van de Russen. Het verhaal gaat dat in die vergadering op een gegeven moment de componist Zoltan Kodaly met een in rood gebonden boekje naar het podium stapte, uit dat boekje de zaligsprekingen voorlas en toen de zaal verliet. Dat was in de toenmalige omstandigheden een moedige daad en een uitermate zinvol gebruik van de zaligsprekingen. Helaas zijn ze in de loop van de geschiedenis lang niet altijd zo zinvol gebruikt. De opkomst van het marxisme in de vorige eeuw is voor een deel in de hand gewerkt doordat een aantal industriëlen en werkgevers de zaligsprekingen misbruikten als een zoethoudertje voor hun arbeiders. Waarom zou je verbeteringen aanbrengen in de ellendige positie waarin ze verkeerden, als juist armen te feliciteren waren en gelukkig te prijzen?
Ze gebruikten de zaligsprekingen als middel om hun geweten te sussen en als een vrome dekmantel voor het instandhouden van ten hemel schreiende armoede van hun arbeiders. Die arbeiders moesten op hun plaats gehouden worden en daar zongen ze ook van in hun kerkliederen. Er is een Engels gezang waarin de volgende regels voorkomen: "The rich man in his castle, the poor man at his gate, God made them high and lowly, and ordered their estate." In het Nederlands: de rijke man in zijn paleis, de arme bij diens poort, God schiep hen hoog en laag, en verordineerde hun maatschappelijke positie." Het venijn zit in die laatste regel: verordineerde. Met andere woorden: armoede wordt hier als een goddelijk gebod gezien, waaraan niet getornd mag worden. Precies zoals men de slavernij en de apartheid als een instelling van God verdedigde en handhaafde, zo gebeurde dat ook met de armoede. Als iemand arm is, dan is dat door God verordineerd, en dan mag je daar geen verandering in brengen. Je mag wel aalmoezen geven, en ook wel aannemen, maar structurele verbeteringen najagen dat mag niet, want dan ga je tegen Gods instellingen in.
Het navrante is dat in dit Engelse kerklied de rijke in zijn vorstelijke woning, en de arme bij de poort daarvan, beiden weggelopen zijn uit de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Een gelijkenis waarin de Here Jezus nu juist duidelijk wilde maken dat God er helemaal niet mee ingenomen is dat die arme daar maar bij de poort moet liggen te bedelen. Handhaving van die status quo is helemaal niet door Hem verordineerd. En dat dit kerklied die gelijkenis annexeert en in feite in haar tegendeel omzet, dat is één van de vele voorbeelden uit de kerkgeschiedenis waarin de bijbel tegen z'n bedoeling in voor het karretje van bepaalde groeperingen van mensen gespannen wordt, en we moeten maar niet denken dat we daar zelf immuun voor zijn, want dat zou een fatale vergissing wezen. Een andere manier om zich de consequenties van de bergrede en van de zaligsprekingen van het lijf te houden bestond hierin dat men zei dat die woorden van Jezus niet bestemd waren voor het inrichten van het publieke leven, maar voor de binnenkamer. Ze waren alleen maar bedoeld voor de opbouw van het individuele geloofsleven, en hadden geen maatschappelijke consequenties.
En op die manier had men zich dan op een comfortabele manier van de scherpe kanten ervan bevrijd. Het volgen van Jezus ging zich op die manier uitsluitend in de huiskamer afspelen, en zo kon je wel erg vroom zijn, maar geen zuurdeeg, geen zoutend zout in je omgeving. Natuurlijk kon het niet uitblijven dat er een reactie kwam op de sociale en de economische wanverhoudingen in de vorige eeuw. Ik noemde het marxisme al, voor Marx waren de godsdiensten de opium van het volk, de drugs waarin de armen wegvluchtten voor de harde en bittere werkelijkheid van hun leven. Maar ook in onze eeuw kwam er, zij het laat, een reactie. In de zeventiger jaren van deze eeuw vond een politisering van de zaligsprekingen plaats. Men ging ze hanteren als een reeks politieke slogans en ging ermee de barricade op. Maar ook zo was er sprake van verkeerd gebruik, het was onjuist om ze in de politiek te laten opgaan. Dat kan duidelijk worden als we nagaan in welke omstandigheden ze voor het eerst werden uitgesproken en aan wie ze waren geadresseerd. Mattheüs plaatst ze in zijn evangelie in de begintijd van Jezus' optreden. De tijd waarin Hij rondtrekt in Galilea en het koninkrijk der hemelen verkondigt.
In die prediking sloot Hij zich aan bij Johannes de Doper, wiens grote thema was: het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen, het staat voor de deur. En dat koninkrijk wordt nu door Jezus geproclameerd. Door die aanduiding koninkrijk der hemelen heeft men zich vaak op een dwaalspoor laten brengen, men heeft daar vaak in beluisterd dat dat koninkrijk helemaal niets met deze aarde te maken had, dat het een louter hemelse aangelegenheid was, alleen maar bedoeld om in de ziel een hemelverlangen op te roepen, maar dat was een fundamentele misvatting. Het koninkrijk der hemelen vindt zijn oorsprong wel in de hemel, maar dat heeft alles met de aarde te maken, en is voor de aarde bestemd. Dat blijkt, om maar iets te noemen, wel heel duidelijk uit psalm 72, die we zongen, waar van de Koning van dat rijk gezegd wordt dat Hij recht verschaft aan de ellendige, de arme, en de verdrukkers verbrijzelt, en nog veel meer. Het koninkrijk der hemelen, dat is dus allerminst iets ongrijpbaars, niet iets zweverigs, maar het realiseert zich grijpbaar en tastbaar in de aardse werkelijkheid. En dat koninkrijk dat staat voor de deur, zegt Jezus. In feite is het er al.
Het komt naar de mensen toe in de prediking van het evangelie. Maar toch niet alleen daarin, het komt ook in de genezing van allerlei ziekten, van pijn, van bezetenheid, die genezingen zijn de tekenen van dat gekomen koninkrijk. En eigenlijk kun je het nog het beste zo zeggen: dat koninkrijk is gekomen in de persoon van Jezus Christus Zelf. Hij is de Koning die recht en gerechtigheid brengt, die het leven geneest en vernieuwt, en die de ellendige verlost. En da zijn er die in Hem gaan geloven, zoals de discipelen bijvoorbeeld. Zij zijn de eerste burgers van dat koninkrijk. En die burgers hebben nader onderricht nodig. In het nieuwe testament wordt de prediking altijd gevolgd door onderricht. In zijn prediking proclameerde Christus dat koninkrijk, en die prediking wordt nu gevolgd door nadere instructie voor diegenen die die prediking in geloof aanvaarden. Datzelfde vinden we ook bij de apostelen, die prediken de verlossing en de verzoening in Christus, en daarna krijgen degenen die deze prediking in geloof aannamen, nader onderricht inzake een christelijke levenswandel.
Als in het nieuwe testament de leer ter sprake komt, dan gaat het meestal niet over wat wij leerstukken zijn gaan noemen, maar over richtlijnen voor een christelijk leven. En dat onderricht gaat Christus nu geven. Voor de aanwezige mensen was het meteen duidelijk dat Hij onderricht zou gaan geven, want Hij ging immers op de berg zitten, en zitten was in die tijd de houding van een leraar. Rabbi's gaven zittend onderwijs. En Jezus' discipelen komen dan ook op Hem af en groeperen zich rondom Hem, en ze beseffen: Jezus gaat instructies geven, daar moeten we bij zijn! En dan opent Jezus zijn mond en begint zijn onderricht met negen felicitaties, negen gelukwensen. En ik denk dat allen die naar Hem stonden te luisteren wel met hun oren geklapperd zullen hebben. Want het zijn wel heel merkwaardige felicitaties. Wie worden er normaliter gefeliciteerd? Dat zijn mensen die iets te vieren hebben, mensen die geslaagd zijn voor een examen, mensen die promotie gemaakt hebben, dat zijn situaties waarin mensen worden gefeliciteerd. Maar Jezus keert de rollen om, Hij feliciteert de armen, en de mensen die verdriet hebben, en de vervolgden, en de verdrukten.
Zeg nu zelf: dat zijn wondere gelukwensen! De eerste luidt: te feliciteren zijn de armen van geest. Er wordt en er werd over deze woorden veel gefantaseerd. De meest vreemde verklaringen zijn er van gegeven. En dat komt doordat men deze felicitatie lossneed van het geheel van de schrift en hem op zichzelf plaatste, en hem toen ging verklaren. Nou, dan kun je er inderdaad een heleboel kanten mee uit. En men vergat daarbij dat Christus sprak tot joden. Tot eenvoudige vissers, landbouwers, handwerkslui, huismoeders. Die hadden geen brede ontwikkeling genoten, maar ze kenden wel het oude testament, de wet en de profeten werden iedere sabbat in de synagoge gelezen. En die mensen die moesten kunnen begrijpen wat Jezus bedoelde, en het ligt dus eigenlijk voor de hand dat je je eerst moet afvragen of het oude testament ook zo iets kent als armen van geest. Want als dat het geval is dan is meteen duidelijk wat Jezus bedoelt. En in het oude testament blijkt die uitdrukking inderdaad voor te komen. In Jesaja 66: 2 daar is bijvoorbeeld sprake van de ellendige, de arme, en de verslagene van geest.
Die mensen, die armen, die ellendigen, die verslagenen van geest, die staan daar tegenover de brutalen die de halve wereld hebben, en die met hun ellebogen werken, en die over lijken gaan om hun doel te bereiken. Op die manier kregen de brutalen hun schaapjes wel op het droge, en ze waren dan ook in staat om omvangrijke offers te brengen in de tempel: stieren, schapen en wierook. Maar wat ze met de ene hand aan de Here gaven, pakten ze met de andere hand weer terug, door de arme te verdrukken. En dan zegt de Here: "Op zulke offers, van zulke mensen, sla ik geen acht, ze laten me koud. Ik sta niet aan de kant van deze brutalen, maar aan de kant van hun slachtoffers, die door hen onder de voet gelopen en in een hoek geduwd worden." En als dat maar lang genoeg duurt, en als er geen uitzicht of verbetering is, dan wordt je geest op den duur murw en mat en terneergeslagen. "Op die mensen, die er zo ellendig aan toe zijn, sla Ik acht", zegt de Here, "Op de arme en verslagene van geest die Mijn woord in acht nemen, en op Mijn woord vertrouwen." Hoort u? Daar stuiten we op die mensen, die armen van geest.
En nu we dank zij Jesaja 66 weten wie ermee bedoeld worden, herkennen we hen ook de hele bijbel door. Steeds weer komen we hen tegen. In de psalmen bijvoorbeeld, daar komen ze zelf aan het woord, als slachtoffers van de uitbuiters. Slachtoffers van de mensen die akker aan akker trekken, die het ene bedrijf na het andere opslokken. Daar komen ze aan het woord als de slachtoffers van de mensen met de poen, in hun kalfsleren fauteuils, voor wie de enorme winst die ze maken nog niet groot genoeg is, en die daarom met een stalen gezicht zogenaamd wegens slechte bedrijfsresultaten, arbeiders op straat zetten. Daar komen ze aan het woord als slachtoffers van de gladde jongens, die met een vriendinnetje aan elke arm in dure nachtclubs rondhangen. In de psalmen uiten ze hun klachten en klagen ze die uitbuiters aan bij God. Maar niet alleen in de psalmen komen we hen tegen. Ook bij de profeten. En die slingeren die uitbuiters hun vlammende protesten in het gezicht, en ze ontmaskeren hen, en samen met hen soms ook de leidende priesterklasse, die met die uitbuiters onder een hoedje speelden en met hen aanpapten.
Een maatschappij waarin de markteconomie het een en het al is, waar het belang van mensen uitsluitend afgemeten wordt aan hun economische waarde, waarin steeds meer winst maken het enige adagium is, waarin op een sociaal beleid tegelijkertijd steeds meer beknibbeld wordt, een dergelijke maatschappij kweekt zulke armen en ellendigen. Ik denk dat ik u niet duidelijk hoef te maken dat de huidige maatschappij waarin we leven zich in die richting ontwikkelt. Maar toch maar even een voorbeeld. Onlangs circuleerde in het nieuws het bericht dat de vrouwenmishandeling de maatschappij jaarlijks meer dan 300 miljoen gulden kost. De suggestie die van dat bericht uitging was dat er vanwege die kosten toch eigenlijk iets aan gedaan zou moeten worden. Met andere woorden: niet het lot van die vrouwen, maar de eigen portemonnee wordt de drijfveer voor het nemen van actie. Een maatschappij waarin de mens zo hoe langer hoe meer ondergeschikt gemaakt wordt aan de markteconomie maakt zichzelf rijp voor Gods oordeel. In Israël ging dat zo toe.
De armen verkeerden er in miserabele omstandigheden, er was niemand die verlichting in hun situatie bracht, en ze konden in hun ellende alleen maar op de Here hopen, tot Hem hun toevlucht nemen. En dat laatste, op de Here hopen, tot Hem je toevlucht nemen, dat is in de bijbel kenmerkend voor de armen die daar ter sprake komen. Er zijn natuurlijk ook armen die helemaal niet op de Here vertrouwen, en die zichzelf recht willen verschaffen, en die met hun verdrukkers op de vuist gaan, zulke armen zijn er in onze tijd, ze zullen er ook in bijbelse tijd geweest zijn. Over zulke armen gaat het in de bijbel niet. In de bijbel zijn armen mensen die niemand anders meer hebben dan de Here. Het zijn mensen die alleen op Hem vertrouwen, en hun heil van niemand anders meer verwachten, ook niet van hun eigen gebalde vuist. Die mensen heeft Christus op het oog, en zij worden door Hem gefeliciteerd. En opnieuw moet er gezegd worden: Wat een ongewone felicitatie.
Wij zouden het nog ergens kunnen plaatsen als er gezegd werd: gelukkig te prijzen zijn de armen die het niet langer nemen, en die het recht in eigen hand nemen, en die stakingen uitroepen, en die met de rijken op de vuist gaan, en die zo verbetering van hun situatie weten af te dwingen. Voor een dergelijke felicitatie zouden we nog begrip kunnen opbrengen. Maar Jezus' felicitatie stuit op een muur van onbegrip. Ben je te feliciteren, als je arm en verslagen bent van geest, als je geen enkel uitzicht hebt op verbetering van je huidige situatie, als je helemaal murw geslagen bent, omdat je niet meer weet hoe je de eindjes aan elkaar moet knopen, en als de Here de enige is tot wie je je toevlucht kunt nemen? Dat is toch van de gekke dat je dan te feliciteren bent? "Zeker", zegt Jezus, "dan ben je echt te feliciteren." Dat moet in Jezus' dagen toen de mensen nog wel in het koninkrijk van God geloofden, al als een soort vloek geklonken hebben, maar in onze tijd, nu de verwachting van het koninkrijk der hemelen nauwelijks nog een rol speelt, nu wekt dat alom verontwaardigde en briesende reacties op. Alsof armoede zoiets begerenswaardigs zou zijn.
Natuurlijk feliciteert Jezus hen niet omdat ze arm zijn. Dat zou inderdaad pervers zijn. Maar vanwege het feit dat het koninkrijk der hemelen van hen is, omdat zij hun verwachting op God stellen behoort dat koninkrijk hun toe, en daarom zijn ze te feliciteren. Als het koninkrijk van God, dat wil zeggen als Christus zelf, in wie dat koninkrijk concreet gestalte krijgt, als Hij je deel is, dan ben je nu al een gelukkig mens, ook al zijn de omstandigheden waarin je verkeert, nu niet om over naar huis te schrijven. Uiteraard betekent dat voor de rijken geen alibi om de armen dan maar in hun sop te laten gaarkoken. Een maatschappij waarin dat gebeurt, en die zich niet inzet voor een verbetering van de positie van armen, en die de sociale voorzieningen op offert aan het marktmechanisme, is bepaald niet te feliciteren. Het koninkrijk der hemelen is namelijk niet voor hen, die zich volledig inzetten voor hun eigen belang, en die hun heil verwachten van de marktwerking, maar voor hen die zich ervan bewust zijn dat ze niets hebben in te brengen dan lege briefjes. En die daarom hun verwachting uitsluitend op Christus stellen. Alleen voor hen is het komende koninkrijk.
Waar de brutalen de halve wereld niet meer zullen hebben, waar niemand meer over lijken gaat, waar nergens meer een hoek is waar nog slagen vallen, en zeg nu zelf, als dat koninkrijk je deel is, dan ben je toch echt te feliciteren? Wat zou het fijn zijn als het nu eindelijk eens kwam! Amen. ©1997 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.