Preek 9 van 13 uit de serie De twaalf kleine profeten
zondag 23 november 1997 · Wim Rietkerk

Gemeente van Christus, Vandaag een tussentijdse balans, en dat doen we aan de hand van Zefanja, de enige zwarte profeet. Eigenlijk staat er: Zefanja, de zoon van een Eritreeër, want Kush lag waar nu Eritrea ligt. Zefanja, de zoon van Kushi, je zou dus inderdaad kunnen zeggen, de enige die waarschijnlijk een zwarte moeder gehad heeft. Precies weten we het niet want de daarvoor liggende vaders, grootvaders zijn allemaal weer Judeërs, dus men vermoedt dat hij een zoon is geweest die bij de tempelslaven is verwekt. Er waren bij het personeel rondom de tempel velen afkomstig uit verre landen. Maar dat is maar een detail. Het gaat over Zefanja, de negende 'kleine' profeet. De eerste negen profeten hebben allemaal geprofeteerd vóór de Babylonische ballingschap, en daarna komen Haggaï, Zacharia en Maleachi, die hebben alledrie gesproken ná de Babylonische ballingschap, en die hebben in hun profetieën nog meer nadruk op de komst van de Messias gelegd. Bij Zefanja komen we bij een soort tussentijdse balans. Wat hebben wij tot nu toe geleerd, wat hebben we ervan vastgehouden? Wat hebben deze kleine profeten ons nu te zeggen? Ik wil dat aangeven met behulp van Zefanja.

Dat kan ook heel goed, want alle motieven van die andere profeten komen toch ook weer terug bij Zefanja. De structuur van m'n preek is heel eenvoudig, dit keer niet in getallen, maar in letters. Ik begin met een V, en daarna ga ik het hebben over het ABC van de kleine profeten, en dan eindig ik ook weer met een V. Een beetje cryptisch, maar dat is om het te onthouden. Eerst de kern: het begin en het einde van al deze profetieën, maar je kan dat zelfs ook breder maken: het begin en het einde van heel de schrift, dat is altijd weer de trekkende liefde van God. En ik noemde dat een V, dat staat voor Vaderhart. De schrift voert ons altijd weer terug naar het Vaderhart van God. "Hij zal over u zwijgen in zijn liefde", dat is het slot van Zefanja. Daar begon ook Hosea. Want de eerste kleine profeet, Hosea, was een boek over die intieme, persoonlijke liefde van God. Een liefde die je kan vergelijken -bij Hosea- met de liefde tussen man en vrouw, minnaar-minnares, maar die in de schrift toch steeds weer vergeleken wordt met die trekkende, alles omvangende liefde van een vader voor zijn kinderen.

Zoals hier toch eigenlijk de ondertoon is van Zefanja, zoals een vader blij is met zijn kinderen, met ze juicht, ze bevestigt, bejubelt, ze bemoedigt, en dan ineens sprakeloos kan worden omdat hij zoveel van ze houdt. Dat is eigenlijk wat Zefanja zegt: zo zal God dan sprakeloos zijn in zijn liefde. En dat is wat de Here God er steeds maar weer bij ons wil inhameren, alsof Hij wil zeggen: "Maar waarom twijfelen jullie toch steeds weer aan mijn goede bedoeling? En hoe komt het dat altijd maar weer dat wantrouwen tegen Mij oprijst in jullie hart?" Hosea moest het in levende lijve aan Israël voorleven. Hij moest zelf een vrouw kiezen als bewogen minnaar. En hij ging ontzaglijk van haar houden. Maar ze werd van hem afkerig. Het beeld van de afkerigheid van Israël tegenover God. En wat ging er toen in Hosea om? Alsof God wil zeggen: "Dat gaat ook in Mij om als jullie je zo tegenover Mij gedragen." En zo vestigt Hij in die kleine profeten in het begin alle aandacht op die persoonlijke liefde van Hem voor Israël. En daar mondt dit negende boekje van Zefanja ook in uit: De Here uw God is in uw midden als een held die verlost.

En dat gaat gepaard met een zo overstelpende vreugde bij God, dat Hij er geen woorden voor heeft: Hij zal zwijgen in Zijn liefde. Als ik dan verder denk aan het nieuwe testament, dan komt me dat beeld voor ogen van de gelijkenis van de Here Jezus over de verloren zoon. Dat eindigt ook daar. Misschien heeft u het beeld voor ogen van het schilderij van Rembrandt, hoe daar die zoon neerknielt en die vader daar de armen om hem heen slaat. Dat is zwijgen in liefde. En zo is God. Daar eindigt Zefanja, daar begon Hosea. Ik noem dat het hoofdmotief van heel de schrift, maar ook doordringend in de kleine profeten. Je kan zeggen: Dat is natuurlijk ook de missie van Jezus, om mensen daar steeds weer bij te brengen. Niemand heeft ooit God gezien, zo omschrijft Johannes, de evangelist, heel Jezus boodschap, maar de eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is, die heeft ons Hem uitgelegd, doen kennen. Jezus is dus eigenlijk de vervuller van alle profeten, ook van deze kleine profeten.

Hij brengt ons, met name natuurlijk ook door zijn liefde, die zo ver gaat dat het ons bevattingsvermogen te boven gaat - want wie is bereid voor de zonde aan het kruis te sterven?- door zijn liefde brengt Hij ons thuis bij het Vaderhart van God. Maar daar moet je natuurlijk nooit te snel overheen gaan! Dat betekent dat achter, boven en onder deze wereld met en bij alles wat er gebeurt, er een Vaderhart klopt! Wij leven dus in een persoonlijk universum, en geen kil en koud en mechanisch universum, zoals dat van Steven Hawkins wat we op televisie zien. Nee, zegt de Schrift, uiteindelijk is in het centrum van het universum een hart dat klopt, een vaderhuis met vele woningen, daar mondt het in uit: en dan zal Hij zwijgen in Zijn liefde. Dat is het eerste, maar niet het enige wat de kleine profeten ons te vertellen hebben. En bij Zefanja komt dat er aan het slot pas uit, en dat is vaker zo bij de kleine profeten. Er gaan drie hoofdstukken aan vooraf, en die leren ons in nauwe verbondenheid met andere kleine profeten het ABC, en dat is wat typisch is voor alle kleine profeten, en dat wil ik nu even op een rij zetten.

Want ook al is dat het hoofdmotief, wat ik net zei, die hoofd-V, het Vaderhart van God, alle kleine profeten botsten vandaar uit op tegen een harde werkelijkheid, die in niets lijkt op een vaderhuis. Dat hebben alle kleine profeten gemeen. Dat zien we vanmorgen ook in Zefanja. En in die botsing, tussen dat wat ze als boodschap uitdragen en die harde werkelijkheid, ontvlammen de profetieën. En dat brengt de kleine profeten heel dicht bij ons. Want ook wij botsen op tegen een werkelijkheid die helemaal niet past bij de wereld als een vaderhuis. De wereld een vaderhuis?? Vraag het aan Habbakuk! Hij is een gebroken man tengevolge van al het geweld en het verschrikkelijke lijden wat hij ziet, en hij zegt tegen God: "U die rein bent van ogen, kunt U dat wel zien? Die werkelijkheid klopt niet met de wereld als een vaderhuis, vanwege het vele verdriet!" Maar ook om andere redenen, ook vanwege de zonde van de mens. Wij leven in een wereld waarin iedereen zelf bepaalt wat hij wil. Onze economisch bestuurde samenleving is wel vergeleken met een trein die doordendert zonder machinist, en niemand weet waar het eindigt, en waar het eigenlijk naar toe gaat.

En dus doet iedereen maar wat hem of haar goeddunkt. En over die wereld heeft Zefanja het in die eerste twee hoofdstukken. En niet alleen Zefanja, ook Joël en Amos, Obadja en Micha, allemaal zijn ze tegen die harde werkelijkheid - aan de ene kant van de schuld en de zonde van de mens, aan de andere kant ook het lijden-, opgelopen. Een wereld die Zefanja scherp typeert. Even terug naar hoofdstuk 1: 12: "Dan zal de Here Jeruzalem met lampen doorzoeken en wat treft Hij aan? Mannen die dik geworden zijn op hun droesem, en ze denken bij zichzelf: de Here doet geen goed en de Here doet geen kwaad." Dat is ten voeten uit de mentaliteit van de burgers van Jeruzalem in de tijd van Zefanja. En die mentaliteit kennen wij ook. Er zijn maar weinig mensen, zegt het rapport dat pas verschenen is, die echt atheïst zijn. Dat heeft me getroffen. Er is een nieuw rapport over het godsdienstige leven in ons land: 'God in Nederland', en daaruit blijkt dat maar betrekkelijk weinig mensen echt atheïst zijn, nog niet eens twintig procent. Maar driekwart van de Nederlanders gelooft dat er wel zoiets is als God, maar precies zoals hier in Zefanja: Hij doet geen goed en Hij doet geen kwaad.

Er gaat in ieder geval niets van uit. En laten we eerlijk zijn: is dat bij u en bij mij nou zo veel anders? Ik was deze week op een grote conferentie in Dalfsen, bestemd voor leiders en voorgangers uit de evangelisch reformatorische wereld, de achterban van de EO. Er was een forum in de middag, en één van de interviewers van de EO stelde daar die priemende persoonlijke vragen, en vroeg aan die mensen van het forum, een dominee, een doctor, allerlei vooraanstaande mensen in kerkelijk Nederland: "Wanneer hebt u nu voor het laatst God in uw leven iets zien doen, heel concreet?" En van de vijf moesten toen vier het af laten weten. Als wij wel in God geloven, maar niet geloven dat Hij iets doet, dan zijn we natuurlijk geen haar beter dan een atheïst die God verwerpt! En in Jeruzalem was het vol van zulke mannen, zegt Zefanja. Mannen die diep bij zichzelf dachten: Maar God doet toch niks, Hij doet geen goed en Hij doet geen kwaad. Nu, wij kunnen orthodox zijn en heel bijbelgetrouw, en toch eigenlijk in dit practisch atheïsme vervallen. Weet u waar die mentaliteit toe leidt als er bij ons op dat punt geen doorbraak komt? Dan leidt dat tot die sfeer van Zefanja 1!

Hij zegt: "Weet je waar dan hun aandacht naar uitgaat? Ze gaan uitheemse kleding dragen, ze stappen over de drempel heen en worden dik op hun droesem." Allemaal hele wonderlijke typeringen. Weet u wat hij daarmee bedoeld heeft? Ze gaan uitheemse kleding dragen: dat betekent niet dat wij tot vandaag toe veroordeeld zijn geen uitheemse kleren te dragen, maar het betekent wel dat het bij hun alleen maar draaide om de mode. En ze gingen over de drempel heen, dat is bijgeloof. Bij ons zijn dat horoscopen enzovoorts. En het derde, ze werden dik op hun droesem: de droesem is van de wijn, een versuikerd nevenproduct wat vrijkomt bij gisting van wijn en bier, waar je dik van wordt. Wel opvallend, die drie dingen worden dan typerend voor de praktische atheïst. We gaan alleen nog maar denken aan onze hypotheek, en hoe we ons geld beleggen, hoe we onze oude dag veilig stellen en wat voor nieuwe auto we gaan kopen, welke vliegvakantie we volgend jaar gaan boeken, en op onze leestafel thuis liggen dan alleen de reisgidsen, modetijdschriften, en een damesblad met de horoscoop. Dan heb je het, dan heb je die mens uit Zefanja 1, helemaal ingepakt door de consumptiemaatschappij.

En dat soort volk trof de Here aan toen Hij met een lampje ging schijnen in Jeruzalem. Ze dachten bij zichzelf: De Here doet niks, Hij doet geen goed en Hij doet geen kwaad. Er is wel veel te veranderen! We moeten wel grondig veranderen als die boodschap ons hart raakt. Die kleine profeet liet toch die mentaliteit ontmaskeren. Wat die profeten daartegen zeggen is niet lieflijk, en ook niet zachtzinnig. Ze zeggen keihard: "Uw rijkdom zal worden geplunderd en uw huizen verwoest." En allemaal spreken ze over de dag van het oordeel. Dat geldt voor Joël, voor Amos, voor Obadja, en we zien het ook bij Zefanja. Bij alle kleine profeten horen we van gericht. De dag van de Here tegen al wat hoog is. Een dag van verbolgenheid, een dag van angst, krijgsgeschreeuw, vuur, vernietiging, zegt Zefanja. Je kunt zeggen: dat moet je historisch lezen. Deze kleine profeten, zoals ik al zei, ze leefden allemaal vóór de val van Jeruzalem en van Samaria, en hun boodschap is dus tijdbepaald. Ze moesten toen en daar het gericht verkondigen. Dat is ook gekomen, in 586 is Jeruzalem gevallen en geplunderd, zijn de huizen vernietigd en is de rijkdom meegenomen.

Maar zo makkelijk kunnen wij ons er niet van afmaken door te zeggen: dat geldt dus niet meer voor ons! Het antwoord is dat de God die ze verkondigden nog steeds dezelfde is. En over de twintigste eeuw zeggen de kleine profeten ons niks, maar ze leren ons wel wie God is en wat de ware godskennis is. En het eerste wat we steeds weer moeten concluderen uit de kleine profeten, en ook hier uit Zefanja, dat is: God is niet lievig, als je een modern beeld van God wilt gebruiken, dan is God zoiets als een chirurg. Hij is niet een lieve vader die zijn kinderen over de bol aait zoals Eli dat deed met zijn zonen die allerlei schurkenstreken uithaalden. Nee, God komt met vuur en Hij laat het er niet bij zitten. Hij is als een groot chirurg, die met het vuur van zijn operatiemes alles er uit snijdt wat niet in het goede lichaam thuishoort. Dat is het eerste. En als je alleen dat leest en ziet hier bij de kleine profeten, dan schrik je. Lees alle hoofdstukken maar eens door. Bij de eerste hoofdstukken draait je hart in je om. Dan schrik je. Ik heb me een voorbeeld ingedacht, dat je ook misverstanden kan krijgen als je de kleine profeten leest.

Ik dacht als voorbeeld - dat kan tegenwoordig met al die televisieprogramma's over buitenaardse wezens-: stel je eens voor dat er een marsmannetje zo loodrecht vanuit de hemel hier in Utrecht neerdaalde, zo recht in het AZU binnenkwam, en midden in een operatiekamer tijdens een operatie verscheen. En dat marsmannetje kijkt om zich heen, ziet allemaal mannen in pakken en ze zijn een slapende man tot in zijn hart toe aan het opensnijden! En wat denkt zo'n marsmannetje?: Dit is ongelooflijk! Wat zijn hier voor perverse criminelen bezig! Ze snijden regelrecht in het hart van een slapende man! Maar als hij verder kijkt, en alles weet, dan verandert zijn stemming in het omgekeerde. Zo gaat het mij bij het lezen van de kleine profeten. Zo kan het ons overkomen dat we als een marsmannetje binnenvallen in deze profeet over het gericht, Zefanja, Obadja, en we denken: Die hele wereld gaat eraan! Als je het eerste hoofdstuk uit Zefanja leest denk je: "Dit is blinde woede die alles kapot slaat." Tot je verder gaat lezen, en breder, en de achtergronden gaat ontdekken. En dan ontdek je dat het een Chirurg is die hier bezig is. En je ontdekt het tweede: er zit een visie achter.

Dat treft ons bij Zefanja ook, misschien meer in hoofdstuk 2. Als je daar leest: "Kom tot u zelf -daar zit een visie achter, een oproep in-, kom tot inkeer, gij schaamteloos volk, en zoek genezing. Dan hoeft die operatie helemaal niet plaats te vinden. Zoek de Here, u ootmoedigen in het land die Zijn verordeningen volbrengen. Zoek gerechtigheid, zoekt ootmoed!" Dus daar gaat een appèl van uit, want God bedoelt iets met zijn boodschap, Hij is ergens op uit: misschien dat u geborgen wordt op de dag van de toorn. Zefanja betekent: bij God ben je geborgen. Dat komt ook steeds weer voor in dit boek. Maar je proeft hier in hoofdstuk 2 met name waar God op uit is. Ezechiël zegt: "Hij heeft geen behagen in de dood van een zondaar, maar daarin dat hij leeft." God wil die weerbarstige stad Jeruzalem omvormen tot een leefgemeenschap. God heeft een visie. Hij ziet iets in dat kille, afstandelijke, weerbarstige volk. Hij ziet iets in die volkerenwereld. In Micha staat: "Straks zal Jeruzalem worden de stad van de vrede, en de volkeren zullen steeds daarheen trekken om bij te tanken." En die visie breekt bij Zefanja ook door, met name in hoofdstuk 3.

"Dan zal Ik de volkeren andere, reine, lippen geven, opdat ze de naam van de Here aanroepen en Hem dienen met eenparige schouder. Uit Kush zullen ze komen -daar komt Kush weer voor, hst. 3:9- uit het zwarte Afrika naar een vernieuwd Jeruzalem. En tenslotte blijft daar een nederig en toegewijd volk over, dat schuilt bij de naam van Jahwe." Nu, daar zie je in een notendop weer die visie van de kleine profeten. Het gericht leidt tot iets. De schilfers springen eraf, de splinters vliegen in het rond, maar uiteindelijk staat daar dat beeld zoals God dat in Zijn dromen altijd al zag: Jeruzalem als zijn bruid, en alle volkeren daaromheen in shalom. God is een chirurg, Hij snijdt het negatieve weg, maar Hij is ook een beeldhouwer, Hij heeft een positieve visie, Hij is ergens op uit. Ook God heeft dromen en de dromen van God komen altijd uit. Ik moet hierbij denken aan het al vaker vertelde verhaal van de grote beeldhouwer Michelangelo, die eens stond te beuken en te hameren op een lelijk stuk rots, en toen een voorbijganger vroeg wat in de wereld hij toch aan het doen was zei hij: Ik haal de engel eruit die er in zit. Er zit dus een visie achter alle gerichten.

Als u dingen overkomen die u leven wel lijken af te breken tot de laatste steen, denk dan aan die beeldhouwer en zijn beeld. Maar ook als ik denk aan de twintigste eeuw, met zijn verschrikkingen: twee wereldoorlogen, toen Bosnië, en Rwanda, dan leer ik van de kleine profeten dat God een droom heeft, en dat Hij dwars door de dwaasheden van de mensen en de woede van de duivel, daar doorheen aan die droom vasthoudt. Hij blijft werken, en Hij blijft verder gaan met die droom. En dus wij ook. Dat leidt me tot het derde: wat ik tot nu toe geleerd heb van de kleine profeten, en wat me weer brengt bij hoofdstuk 3 van Zefanja, en dat is eigenlijk in één zin te zeggen: God is getrouw en Zijn plannen falen niet. Hoofdstuk 3 van Zefanja eindigt met de beschrijving van de slotfase, als de Here komt. En dan roept de profeet -dán al- Jeruzalem toe: "Jubel, dochter van Sion en juich, o Israël, want alle gerichten zijn nu achter u, en uw vijand is verslagen, en de Here God Zelf is in uw midden als een held die verlost." God is als een chirurg, met een mes wat snijdt. Hij is als een beeldhouwer met een droom.

Maar Hij is ook een architect die alles doet naar vast bestek, zoals we zingen met de psalmen. Architect, Beeldhouwer, Chirurg, het ABC van de kleine profeten, zo doen zij ons God kennen. En het komt tot ons met een appèl, een appèl om ons te bekeren. Come back to the basics, (keer terug naar de basis) dat is ook een soort van abc, en dat zit natuurlijk ook door alle kleine profeten heen. Maar ik eindig weer bij een V, waar ik begon. Straks zal heel de schepping verheerlijkt voor Hem staan, met een verloste gemeente, de bruid van Christus, en met volkeren die het nieuwe Jeruzalem binnenkomen, en met vreugde en met verzoening, en in vrede. De V's stromen altijd over in dat eindvisioen van de kleine profeten. Verheerlijkt, dat is het beeld wat we krijgen aan het eind van Zefanja: "Te dien dage zal de Here in uw midden zijn als een held die verlost." Het complete tegenbeeld van hoofdstuk 1: "Hij doet geen goed en Hij doet geen kwaad." En dan aan het slot: De Here zal midden in u zijn als een held die verlost. "Vrees niet", zegt Zefanja: "Hij zal in uw midden zijn als een God die zo blij is over u dat Hij er geen woorden voor heeft.

Zo zal Hij zwijgen in Zijn liefde en uitgelaten zijn in vreugde." Met die vreugdetoon eindigt hier de negende kleine profeet. Het is een profeet, die zwarte Ethiopiër, Zefanja, de zoon van Kushi, die ergens in zijn voorgeslacht ook nog een Hizkia heeft. Was het koning Hizkia? We weten het niet, maar in ieder geval: er stroomt messiaans bloed door zijn aderen. Hij is de profeet die alleen al met zijn paspoort en zijn geslachtsregister en daarna met zijn boodschap verkondigt dat God groot is. De Chirurg, de Beeldhouwer, de Architect, die zich uit alle volkeren een gemeente vergadert, en Hij doet dat door die Held, waar Hij toch al van spreekt, en waar de andere profeten meer van gaan zeggen: die Ene Held, in Wie Hij toch eigenlijk al in ons midden gekomen is, en die in ons midden zal blijven werken om ons te redden tot de verheerlijking, tot het plan van God klaar is. Amen. ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.