Preek 8 van 13 uit de serie De twaalf kleine profeten
zondag 16 november 1997 · Wim Rietkerk

Gemeente van Christus, De profeet Habbakuk heeft iets unieks. En dan bedoel ik niet de mooie opbouw, het zijn drie hoofdstukken en ze vormen een eenheid. Als u goed geluisterd hebt: ze beginnen in de diepten en ze eindigen op de hoogten. Wat is er met Habbakuk gebeurd dat hij die beweging maakt? Dat leidt ons naar dat unieke, en naar dat wat hij ook ons wil leren. En dat is om ons zo mee te voeren vanuit dat moment waarop het 'vanzelfsprekendheidgeloof' -waarin we zijn opgevoed en dat we zo met ons meedragen-, verpulvert, naar waar die verdieping in treedt. Ik heb het genoemd: van geloven omdat naar geloven nochtans, dat kernwoord in de tekst. Dat vind ik het unieke van Habbakuk. Hij neemt ons bij de hand, en hoe belangrijk is dat juist vandaag! We weten uit dat onderzoek 'God in Nederland', dat pas gehouden is, dat driekwart van de Nederlanders zegt te geloven, maar ze zoeken het niet bij de bijbel, niet bij het evangelie. Wat is er toch gebeurd? Zijn ze in deze beweging van Habbakuk opgenomen? Het vanzelfsprekendheidgeloof verpulverd? Kunnen ze doorstoten naar dat nieuwe? Waar staan ze? Wat is een echt geloof?

Dat zijn de vragen waar we ons over willen buigen, samen met hen, in die verbondenheid. Wellicht nemen wij door deze beweging te maken hen mee. Dit ter inleiding. Nu allereerst: wie was Habbakuk? Hij leefde ongeveer 600 jaar voor Christus, in Judea, niet ver van Jeruzalem, en hij was een agrariër. Maar we moeten ons niet een geslaagde herenboer voorstellen, tussen de wijngaarden van Judea. Zijn land is platgewalst, want Nebukadnezar met zijn gewelddadige leger is er al doorgetrokken. Als je een beeld wilt vinden van deze tijd, dan moet je denken aan zo'n figuur als een van die Koerden uit het land van Saddam Hoessein, een vluchteling, vermagerd en berooid. Zijn boerderij is platgebrand, z'n gezicht gekerfd, z'n vuisten zijn gebald. En daar begint Habbakuk de klacht, zijn roepstem tot God. We hebben het gelezen in hoofdstuk 1: "Hoe lang, Here, roep ik om hulp en Ge hoort niet? En hoe kunt Gij dit aanzien?" Als ik me zo inleef in wat hier gebeurt in dit hoofdstuk 1, dan bespeur ik iets wat heel veel mensen overkomt als alle oude zekerheden wegvallen, als er dingen gebeuren die ze niet vermoed hadden, en dan ineens dat 'vanzelfsprekendheidgeloof' wankelt.

Het gebeurde ook met de vromen uit het oude verbond, ze zijn precies als wij -en Habbakuk natuurlijk ook-, opgevoed in de sfeer van het 'daaromgeloof'. Natuurlijk geloof je. Het is je met de paplepel ingegeven. En als je goed christelijk bent opgevoed heb je ook de redenen om te geloven meegekregen. Je gelooft omdat. Je gelooft en je bidt omdat je dagelijks voedsel uit de hand van God komt, net als de adem in je mond. En je gelooft omdat je eigenlijk niet kan geloven dat er geen God zou bestaan. Want waar zou je dan terecht komen? Evolutionisme, nihilisme, relativisme. Coffeeshops, abortusklinieken, kinderporno. En zo vlucht je vanzelf steeds weer in het geloof. Wie gelooft mag ook rekenen op zegen: Wie goed doet goed ontmoet. God zegent de rechtvaardigen. De bijbel geeft antwoord op al onze vragen. Dat noem ik dat 'omdatgeloof'. Het is redelijk, het heeft argumenten, het wil overtuigen, het zet de traditie voort, en in die stroom worden we opgenomen, daar leven we in. Ja, en dan gebeuren er dingen zoals met Habbakuk gebeurden. Gebeurtenissen niet om aan te zien.

"En juist rechtvaardigen", zegt hij in hoofdstuk 1, "worden aan de haak geslagen zoals je vissen uit het water trekt." Er overkomen ons dingen die wij in ons mooie nette burgerlijke leventje helemaal niet kunnen inpassen! Zoals: ik worstel met mijn geaardheid die niet te veranderen lijkt, mijn broer heeft het niet, mijn zus heeft het niet, en we zijn in hetzelfde christelijke gezin opgegroeid. Of: mijn moeder is oud, maar waarom sterft de een voortijdig, en moet de ander maar wachten, waaraan heeft ze dat verdiend? Of: ik had gedacht na een mooie studietijd een baan te krijgen, en een partner, maar nu nader ik de veertig al en waar blijft het? Of: net vorige week heeft mijn dokter me verteld dat ik een zeldzame spierziekte heb, die niet te genezen is. Op zulke momenten stort ons leven in. En dat is wat hier met Habbakuk gebeurde. Zijn geloven 'omdat' brak hem bij zijn handen af. Het gaf hem geen troost meer, die traditie. En dan gebeurt er iets heel bijzonders, en dat zien we in hoofdstuk 1. Hij werpt zich met al die vragen rechtstreeks op God, en dat is het eerste wat me treft bij Habbakuk, in één woord: eerlijkheid. 1) En dat is dus het eerst punt: eerlijkheid.

Maar dan eerlijkheid voor God. Niet eerlijkheid naar de mens toe, er maar uit brallen wat je allemaal voor protest hebt, nee, daarmee gaan naar God. Hij zegt tegen God: "Heer, dit kan niet! Ik kan het niet verzoenen, de gedachte dat U de Heilige bent, en de Barmhartige, en dat dit gebeurt!" Hier helpt geen catechismusantwoord. Het kan gewoon niet: kinderen die worden misbruikt, en God die rein van ogen is, dat ziet en niets doet! Gewone aardige mensen, bijeen gedreven ergens op een grasveld tussen de heuvels in Bosnië, en dan weggemaaid! Die tonelen staan Habbakuk voor ogen, en hij kan ze niet rijmen met wat het evangelie zegt van God. "Heer", zegt Habbakuk, "U bent te rein van ogen om het kwaad te zien. Maar hoe werkt dat dan bij U?" En zo hebben door de eeuwen heen mensen God bestormd: "Heer, waarom?? Zijt Gij niet vanouds Mijn God, de Heilige? Waarom roep ik tot U in mijn eenzaamheid? In mijn 'zo' zijn? En ik krijg geen gehoor." Dat is de eerste fase waar Habbakuk hier doorheen gaat. Het doet zeer. Maar tegelijk moeten we zeggen: 'Ja, als je er zo mee omgaat komt er ook heel veel boven wat toch wezenlijk is om echt mens te zijn.

Je zou kunnen zeggen: realiteitszin, en eerlijkheid, en directheid naar God toe en naar de mensen toe'. En dat is hoofdstuk 1. En natuurlijk, daar kan het niet bij blijven. En daar blijft het ook bij Habbakuk niet bij. We gaan verder lezen. Na zijn klacht in hoofdstuk 1 gebeurt er eigenlijk iets heel bijzonders in hoofdstuk 2. Habbakuk trekt zich terug. "Ik stelde mij in mijn wachttoren", staat er. "Ik wil gaan staan op mijn wachttoren en - na alles wat daar gezegd is!_, uitzien naar wat Hij tot mij te zeggen heeft." 2) Ik zou het bij dit tweede punt, dit tweede hoofdstuk, met u wel eens willen hebben over wat de plaats en de betekenis is van de 'binnenkamer'. Want wat Habbakuk hier de wachttoren noemt, is eigenlijk een hele bijzondere omschrijving, een hele unieke omschrijving van wat de Here Jezus in de bergrede de 'binnenkamer' noemde: "En gij, wanneer ge bidt, ga naar uw binnenkamer, sluit de deur en bidt tot uw Vader die in het verborgene ziet." Dat is precies wat Habbakuk hier doet. En de 'binnenkamer', -ik vind het mooi dat dat hier zo genoemd wordt-, is bij Habbakuk de wachttoren. Daar op de wal had hij een speciale plek, en een wachttoren heeft iets van afstand.

Je neemt afstand, je trekt je op, en je wacht, en je ziet uit. Dat zit er ook in. Hij luistert, hij wacht op wat God nu te zeggen heeft. En dan gaan er dingen gebeuren. Zijn Vader die in het verborgene ziet, spreekt tot zijn hart. Dat lezen we in hoofdstuk 2, en daar wil ik in de tweede plaats bij stilstaan. Want hier wordt het geloven 'nochtans' geboren. En dat is een ander soort geloven, je zou kunnen zeggen: het is meer van hart tot hart. Zo zou ik dat nieuwe geloven van Habbakuk in de tweede plaats willen typeren. Geloof geboren in de binnenkamer is geloof wat het hart raakt. En het volgt op wachten en luisteren. Zoals bij Job in het onweer, waarna hij zegt: "Het is of ik U nu pas voor het eerst heb gezien." En bij Elia is het in de zachte stem van de stilte. En hier bij Habbakuk in de wachttoren. Maar in alle gevallen van hart tot hart. Het mooie van Habbakuk is dat hij het de wachttoren noemt. Hij blijft betrokken op de wereld, hij kijkt uit de wachttoren naar buiten. Het is dus geen gevoelsmystiek, als inkeer in de diepte van mijn eigen ziel, nee, de binnenkamer in de Schrift is de wachttoren. En in dat wachten zit ook dat zelfde: niemand beschikt over God.

Er zijn tijden dat we moeten wachten, in diepere zin echt wachten op zijn woord, stil worden, dit hoofdstuk spreekt ervan aan het slot, wanneer Habbakuk zegt: De Heer is in zijn heilige tempel, en daarom: zwijg voor Hem gij ganse aarde." God blijft vrijmachtig in Zijn zelfopenbaring, Hij is geen automaat, maar Hij is de Heilige. En dat moeten wij weten. En dat gaan we beseffen als we net als Habbakuk in onze geloofstwijfel en strijd de wachttoren zoeken. "Ga in uw wachttoren, zie uit naar wat Hij u zeggen zal, en Hij zal tot u spreken", want God laat geen bidder staan, en er is nog nooit iemand geweest die geklopt heeft, en Hij heeft niet opengedaan. "Uw Vader die in het verborgene ziet", zegt Jezus, "Hij zal het u vergelden." 3) Het derde punt. Wat hoort dan Habbakuk in de wachttoren? Ik verbind nu de inhoud van hoofdstuk 2 met dat visioen van hoofdstuk 3. Want hoofdstuk 2 is een boodschap, hoofdstuk 3 een visioen, en die zitten in elkaar verweven. De inhoud daarvan, de kern, het geheim, heb ik eigenlijk al verraden. Habbakuk krijgt geen uitleg, ik lees dat nergens.

Ik laat dat visioen uit hoofdstuk twee, dat vijfvoudige wee, en de uitwerking van die theofanie zoals God verschijnt van de Sinaï, weer opnieuw in nieuwe taal en voor wat mij betreft soms bizarre beelden daar even staan, ik ga daar even aan voorbij om me te concentreren op de kern, heel aandachtig en indringend, op de hoofdzaak. Want wat heeft de Here nu toch in hemelsnaam aan Habbakuk bekend gemaakt, dat hij zo radicaal omslaat? Het is ongelooflijk. In drie hoofdstukken vanuit de diepste diepten tot naar de hoogste hoogten! Vanuit: ik snap niet hoe ik dit ooit kan volhouden in het geloof -alle redenen vallen weg- naar: en toch geloof ik! "Al zou er geen vijgenboom meer bloeien, en er geen opbrengst meer aan de wijnstok zijn, en de vrucht van de olijfbomen teleurstelt, en de akker geen spijze meer oplevert en de schapen uit de kooi verdreven zijn, geen runderen meer in de stallen, nochtans zal ik juichen in de Heer, jubelen in de God van mijn heil", zegt hij aan het slot, en dat is toch zeker een hoogtepunt. Wat is hier gebeurd, dat Habbakuk zo uit de diepte oprijst tot de hoogte? Het antwoord ligt in wat in de wachttoren gebeurt.

Daar heeft God hem geantwoord, en zo eenvoudig is het. Het ligt niet allereerst in wat God hem dan allemaal gaat tonen, maar ik denk dat het gewoon hierin lag, dat God er was. Dat Hij er was en dat Hij sprak, dat is het. En dat is een wonder, steeds weer opnieuw. We maken vaak de fout te we denken dat dat wonder ligt in de uitleg, in al de verklaringen die dan moeten gaan volgen. Die zijn natuurlijk ook belangrijk, en die zullen ook niet ontbreken, laat ik dat erbij zeggen, maar het grootste wonder ligt daar nog voor, of eronder, erachter, ik weet niet hoe ik dat zeggen moet, maar het is het wonder dat de levende God er werkelijk is! Dat is het wonder! En dat Hij spreekt! Ik heb een vriend die vroeg gestorven is en die ligt begraven in Dordrecht, en hij heeft een heel bijzondere tekst op zijn graf. Op de steen staan gebeiteld de woorden uit Johannes 16: 23, en dat zijn die eenvoudige woorden: "Te dien dage zult ge Mij niets vragen." Ik heb daar vaak over zitten peinzen, en ik ben gaan kijken wat er precies in die tekst en in dat hoofdstuk staat en inderdaad, het staat er.

Dit wordt gezegd met het oog op de ontmoeting die straks zal komen, tussen de Bruidegom, Christus, en Zijn gemeente, de bruid. En in dat woord ligt eigenlijk besloten dat daar ineens alle vragen wegvallen! Het wonder dat God er is is veel groter en veel paradoxaler dan alle antwoorden die Hij geeft. Als de Vader zich in het verborgene doet gelden, -wat Jezus belooft-, in de binnenkamer, dan is dat onverwoestbaar. Dan is dat niet meer uit de ziel van de mens te verwijderen. En Habbakuks latere neerslag van die ontmoeting, vind ik met alle respect niet verpletterend. Het blijven moeilijke teksten, en voor ons westerlingen soms bizarre beelden in hoofdstuk 3, maar waarom is Habbakuk tegelijkertijd toch zo'n groot profeet, en zo kostbaar, zo onmisbaar? En zo overtuigend? Dat is omdat hij mij meevoert, uit de diepte, naar 'der hinden' hoogte. En dat komt door die afschijn van de Godontmoeting. "Hij is er werkelijk, Hij is er en Hij sprak!" zegt Habbakuk.

"Ik ging in de wachttoren en Hij sprak tot mij!" God is voor iedereen te kennen, en ook al vallen alle catechismusantwoorden weg, al kan ik niets meer met wat mijn vader, mijn moeder, mijn dominee en de kerk mij verteld hebben, al gebeuren er verschrikkelijke dingen: ik breng het in eerlijkheid bij God -dat is hoofdstuk 1- en ik ga staan op mijn wachttoren -hoofdstuk 2- en dan is Hij daar, De Here in zijn heilige tempel, en Hij sprak! En wat zei Hij dan? Ik parafraseer het antwoord uit hoofdstuk 2: 4: "Die goddeloze gaat absoluut ten gronde, -dat zijn die Chaldeeën-. En jij, je bent mijn geliefd kind." Dat is wat God tegen Habbakuk zei. "En niet op grond van je goede werken, of omdat je zo braaf was in je leven, maar gewoon omdat je in de rechte verhouding tot Mij bent gesteld, en omdat je op Mij vertrouwt. Ga zo verder." Zoiets heeft Habbakuk gehoord. Zo parafraseer ik de woorden uit hoofdstuk 2: 4. Habbakuk moest ze zelfs op een bord schrijven, en aan de mensen doorgeven.

"Zie de opgeblazene, niet recht is zijn ziel in hem, die Chaldeeër, maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven." Later heeft volgens mij alleen de apostel Paulus echt begrepen wat Habbakuk hier bedoelde, toen hij zei: "Maar dat is eigenlijk wat wij opdoen aan de voet van het kruis, want daar valt alles wat we zelf hebben, en wat we hebben in te brengen, onze verdienste, onze prestaties en mooie antwoorden, die vallen daar weg, en daar staan we, net als de moordenaar die daar hing aan de rechterzijde van Jezus Christus, en we staan er met lege handen en we worden aangenomen! We worden aangenomen zoals we zijn, gerechtvaardigd alleen door het geloof. En Paulus maakt dat tot het fundament van de Romeinenbrief, en het is door de eeuwen meegegaan in de kerkgeschiedenis, en dat is wat Habbakuk hier opdeed aan God. Ver voordat Jezus kwam en voor ons stierf als de Zoon van God, heeft Habbakuk dit geheim al gepeild. God neemt ons aan om niet. Hij heeft ons lief, Hij houdt ons vast in al onze pijn, in al ons verzet, en in al onze wanhoop. En in hoofdstuk 3 voegt hij daar nog een machtig visioen aan toe.

"God zal straks aan het eind der tijden verschijnen, -en ik heb dat gezien, zoals eens op de Sinaï-. En dan scheurt de hemel open, en dan komt Hij ons bevrijden." Dat is de korte inhoud van hoofdstuk 3. Alleen dat geloof houdt ons overeind. De rechtvaardige zal uit dat geloof leven. En dat doet Habbakuk dan ook, en er komt een vreugde in zijn hart zo groot dat hij wel kan dansen, want hij eindigt met die hinde. "De Here HERE is mijn kracht", zegt hij. Niet mijn traditie, niet mijn mooie antwoorden, of mijn ervaren zegeningen of wat ook, nee, HERE, staat er dan, met hoofdletters, Jahwe, de God met de eigen naam. En wat is die eigen naam? Ik ben er voor jou. Wist u dat dat de naam van God is? En dan zegt Habbakuk: "En die God is mijn kracht. Hij maakt mijn voeten als die van een hinde, Hij doet mij treden op de hoogte, inderdaad niet alleen mijn ziel, ook mijn lichaam wordt vrij, en mijn voeten, die ik verkrampt vasthield, lijken net zo los en elegant als de hoeven van een springend en jubelend hert. Halleluja. Inderdaad, een lied om te zingen bij snarenspel." Zo eindigt Habbakuk. Maar nu? Bij de slotsom keer ik weer terug naar het begin.

We vroegen ons daar af: Wat is nu dat geheim van Habbakuk, wat is de hoofdlijn van zijn boek, wat is zijn boodschap aan ons? Ik zei aan het begin: het is eigenlijk dit dat hij ons meevoert, of beter dat hij ons helpt door te stoten van een 'omdat'- geloof naar een 'nochtans'-geloof. Alleen dat woord zou voor mij de kern van Habbakuk mogen zijn, hoofdstuk 3: 18, het eerste woord: nochtans. We zongen het in psalm 22. Het staat ook aan het slot van Habbakuk: nochtans zal ik juichen in de Here, jubelen in de God van mijn heil! Dat is Habbakuk, de profeet van het geloven 'nochtans'. Geloven 'omdat' is natuurlijk geen onzin, ik denk dat het daar bijna altijd begint. Het is belangrijk om na te denken over de redenen waarom u gelooft, zeker, maar er blijft over alle geloven 'omdat' nog een waas. Een waas van voorlopigheid, een waas van onrijpheid. Helemaal rond hebben we de bewijzen niet, het is vaak van mensen geleerd, of klakkeloos van de traditie overgenomen, en waar God dat ziet gaat Hij aan het werk, daar voert Hij ons in de diepte, en uit de diepte naar de hoogte!

En daarvoor gaf Hij ons nu deze profeet Habbakuk, die ons leert in hoofdstuk 1 eerst heel eerlijk te worden, heel eerlijk voor God. En dan in de tweede plaats in de wachttoren binnen te gaan, dat is de binnenkamer, een wachttoren. En dan daarna om daar de woorden van God te horen. Hij is er en Hij spreekt. En dan dat visioen vast te houden wat we lezen in hoofdstuk 3. Maar onder alles dat besef hebben: Hij is er echt en Hij spreekt! En Hij zegt: in die serene zelfovergave, zoals Ik Mijzelf heb laten kennen aan het kruis, wees zelf daarin stil en onthoudt Mijn naam: Ik ben er voor jou! De rechtvaardige zal uit dat geloof leven. Amen. ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.