Gemeente van Christus, Die drie laatste (van de twaalf) kleine profeten zijn ook de laatste drie boeken van het oude testament, zijn allemaal geschreven na de terugkeer van Israël uit de ballingschap. Klein worden ze genoemd, niet omdat hun boodschap niet verreikend en heel diep is, -groot dus-, maar alleen door de omvang van hun boeken, in verhouding tot Ezechiël, Jeremia en Jesaja. Deze drie profeten aan het einde van het oude testament profeteren allemaal over de komst van de Messias, de blik wordt naar voren gericht, het zijn lichtvonken in die 'tussen-testamentaire' tijd. Het oude testament eindigt ongeveer 500 jaar voor Christus, en dan volgen er dus nog verschillende eeuwen voordat Jezus in het jaar 0 geboren wordt. Dus deze profetieën van Haggaï, Zacharia en Maleachi zijn eigenlijk in een soort adventstijd gesproken. Ze brengen in die tussentijd de bijzondere belofte aan Israël dat er iets bijzonders gaat gebeuren, iets dat alle verwachtingen overtreft. Daar mondt dan ook deze profetie van Haggaï in uit: Zerubabel, de zoon van Zealthuël, zoals hier staat, is de officiële koning uit het geslacht van David. Dat moet u erbij weten.
Hier eindigt Haggaï zijn profetieën met te zeggen: "Kijk, die Zoon van David ga Ik tot mijn zegelring maken", en met een zegelring bekrachtigde je officieel de besluiten van een koning. Wie de zegelring had was de gevolmachtigde van de koning, de plaatsvervanger, die had de macht. En zo zegt God: "Ik ga Mijn plaatsvervanger op aarde brengen, uit het geslacht van David." En Haggaï zegt: "Dat moet wel Zerubabel zijn!" Het was de achter- achter- achterkleinzoon van Zerubabel, maar dat kon Haggaï ook niet weten. Maar het was wel in die geslachten dat God de Messias zou doen geboren worden, en daarmee eindigt dus het boek Haggaï. Intussen: waartoe roept hij het volk op, als ze zo staan in de adventstijd, als ze uitzien naar de komst van de Messias, als ze daar bijzondere beloften ontvangen dat God grote dingen gaat doen, waartoe roept hij dan dit Israël op? Nu is het heel opvallend, en ik vind dat ook een bijzondere parallellie met onze adventstijd, met ons die de wederkomst tegemoet leven: het volk Israël moet bouwen aan de nieuwe tempel, daar midden in het verwoeste Jeruzalem.
De bevolking was weggevoerd, ze waren zeventig jaar weggeweest, nu komt daar een kleine groep terug, enkele duizenden, tienduizenden, ze verspreiden zich om Jeruzalem en de stad, ze krijgen enorm veel tegenwerking, maar Haggaï zegt: Willen jullie nu de komst van de Messias goed tegemoet gaan, dan moeten jullie de tempel herbouwen. "Want vanuit de tempel, de plaats van Mijn presentie, van daaruit zal Ik in de wereld gaan werken." En zo gaan ze aan de slag. Maar al spoedig is er grote tegenslag. De mensen die in Jeruzalem waren blijven wonen werkten tegen, wilden niet meedoen. Ook het materiaal werd hen niet geleverd, en zo gebeurde het dat ze eigenlijk inzakten. Ze lieten de tempel liggen, staakten de herbouw, en besteedden dan maar al hun aandacht alleen aan hun eigen huizen. In die situatie treedt de profeet Haggaï op. En hij zegt tegen dat volk: "Maar zien jullie nu wat je aan het doen bent? Jullie zitten zelf in luxueuze -er staat: weldoortimmerde- huizen, maar intussen laat je het huis van God in een ruïne liggen. Zien jullie niet in dat dát het is waardoor al die tegenwerking ineens optreedt? Dan wijkt de zegen!" Dat zegt hij in hoofdstuk 1, en het volk laat zich gezeggen.
Zerubabel voorop, en dan de hogepriester. De koning en de hogepriester lopen voorop en ze zeggen: "Hij heeft gelijk!" En ze beginnen de herbouw van de tempel. En dan komt hoofdstuk 2, en daar wil ik speciaal bij stil staan. Want als ze dan enige tijd bezig zijn, en om zich heen kijken, en ze zien daar die fundering en de omvang langzaam oprijzen, dan denken al de oude mensen terug aan hoe het vroeger was, en dan zeggen ze: "Maar dit lijkt nergens op! Als je denkt aan de machtige tempel van Salomo die hier gestaan heeft, dat halen we nooit, het wordt niets!" En de jongeren denken ook: "Zou het wel ooit lukken?" Ze raken ontmoedigd en denken bij zichzelf: Dit wat we hier aan het doen zijn: het stelt eigenlijk niets voor. En dan komt het tweede optreden van de profeet Haggaï. In die situatie geeft hij hen onderwijs. Hij wil hen bemoedigen om het vol te houden, en zo willen wij ons door die woorden ook laten aanspreken. Bemoediging om het vol te houden, dat is eigenlijk de eerste inhoud van de profetie van Haggaï aan de mensen, en hij begint met uit te leggen dat het werk van God altijd klein begint, maar dat je het mag blijven verwachten, en dat het straks alle verwachtingen overtreft.
Dat zijn eigenlijk zo de dingen die hij in hoofdstuk 2 aan Israël voorhoudt. Hij zegt: "Het begint klein, zoals een baby'tje wat er nog maar net is. De tweede, derde, vierde maand dan zie je het nog niet, maar het groeit en ontwikkelt, en het zal straks al je verwachtingen overtreffen." Dat is de eerste boodschap die Haggaï aan Israël brengt. Maar dan dat tweede, het eigenlijke wat hij op zijn hart heeft. En dat is dat wonderlijke incident dat hij naar de priester gaat en vraagt om onderricht uit de wet. We moeten ons voorstellen dat hij eerst boodschappen had gedaan in de stad, bij de tempel langs is geweest want daar kon je in de bijgebouwen vlees kopen wat overbleef nadat er was geofferd, dat mochten mensen kopen, dat was heilig vlees. En dat hij dat zo in de slip van zijn lange mantel droeg, met de andere boodschappen daar weer bij. Zo gaat hij naar de priesters en hij stelt hen vragen. "Ik heb hier heilig vlees, én brood, kaas en eieren, -zouden wij vandaag zeggen-.
En als dat heilige vlees nu indirect vluchtig in aanraking komt met de boodschappen die ik net gekocht heb, de dagelijkse dingen, worden die dan ook heilig?" En de priesters wisten het antwoord al wel, maar zullen misschien de bijbel erbij hebben opgeslagen, Leviticus, en "geen sprake van!", zeggen ze, "zo eenvoudig gaat dat niet!" En dan keert Haggaï de vraagstelling om, en zegt: "Luister, met die andere slip van mijn mantel ben ik toch, nadat ik boodschappen had gedaan, bij een rouwhuis langsgelopen, en ik raakte zo per ongeluk met mijn jas de kist. Zijn nu mijn boodschappen ineens ook allemaal onrein?" Een parallelvraag dus. En de priesters zeggen: "Ja, nu zijn die boodschappen onrein." En dat is eigenlijk het onderwijs wat Haggaï van de priesters meeneemt en dan richt hij zich tot het volk en zegt: "Hebben jullie het gehoord? De kracht van het onreine is vele malen groter dan de kracht van het heilige!" Het is eigenlijk een boodschap waarvan je denkt: welke kant wil hij nu toch op? Dit wordt wel bijzonder ontmoedigend. Het onreine besmet de omgeving wel, maar het heilige heeft die kracht niet.
Brood, kaas en eieren, ze worden niet heilig door de aanraking met het heilige stukje vlees, maar wel onrein door de slip van de mantel die onrein is geworden! Er is een onevenredigheid tussen het heilige en het onreine. Wat onrein is heeft een ongemerkte en ongemene besmettende uitstraling, maar het heilige heeft die kracht niet. Toen ik daar over nadacht dacht ik: dit is aan de ene kant natuurlijk ontzaglijk reëel. Ik wordt dan getroffen doordat de bijbel zo eerlijk is en zo realistisch. Want het is natuurlijk volkomen waar wat hier gezegd wordt. Zo werkt dat ook in het leven. In Prediker 10 staat: één dode vlieg doet de zalf van de zalfbereider stinkend gisten. En dan zegt hij direct daarna: een weinig onverstand heeft veel meer invloed dan de wijsheid zelf. Dat is precies zo'n uitspraak. Eén slechte schakel doet de ketting breken. Het beschrijft de werkelijkheid precies zo als die is. Dit is nu die negatieve lijn, die ons bepaald bij de werkelijkheid. "Onreine woorden", zegt Haggaï, "ze zinken weg naar de schuilplaats van je hart". Onreine muziek, ze laat je niet onberoerd, ze straalt iets uit wat je zelf ook onrein maakt.
Onreine beelden, -het hoeft maar één flits te zijn van iets heel sadistisch wat je op de televisie ziet-, het blijft soms wel dagen hangen, het besmet ons. En dan verdwijnt de zegen, dan wijkt de Here weg, daar kan Hij niet bij zijn. En Haggaï zegt: dat is de verklaring waarom wij soms de wind tegen hebben. Israël had gedacht toe ze uit ballingschap terugkwam: nu gaan we de Messiaanse tijd tegemoet, -denk maar aan de visioenen van Jesaja, hoofdstuk 2, en aan Micha,- nu gaat het waar worden! Als ze maar in Jeruzalem waren, als ze maar in aanraking waren met het heilige, dat was ten slotte vanouds de stad van God. Er zijn vandaag nog mensen die begraven willen worden op de Olijfberg, want die aanraking met de heilige berg geeft hen de beste kans straks mee te doen met de opstanding. Haggaï gaat daar vlijmscherp tegenin met dit stuk onderwijs uit de Thora. Hij zegt: "Ja, inderdaad, uiterlijke aanraking met het onreine heeft desastreuze gevolgen. Maar gek genoeg: uiterlijke aanraking met het heilige bewerkt niks!" En dat zet mij aan het denken. Eigenlijk is Haggaï een opwekkingsprediker.
Hij zegt: "Pas op, jullie denken dat de uiterlijke aanraking met het heilige je zelf ook heilig maakt." Wij denken precies omgekeerd: aanraking met het onreine, dat doet ons niets. Maar Haggaï draait het om en dat heeft me zeer getroffen. Hij zegt: "Omgaan met het onreine, dat heeft een ongemene uitstraling! Je hebt het misschien niet door maar het beïnvloedt je tot op de bodem van je hart. Maar aanraking met het heilige, denk niet dat je dat rechtvaardigt." Psalm 1 zegt: daarom moet je niet samenzitten in de kring van de spotters. Ook zo'n woord wat wij totaal zijn vergeten. Wij zeggen: je moet altijd openstaan voor iedereen. De bijbel zegt dat niet. Die zegt: als je echt bespeurt dat er iets is wat niet deugt, en iemand gaat daar in je vriendenkring openlijk spotten met het heilige: dan moet je de band verbreken: je zit niet aan in de kring der spotters. Alleen al de uiterlijke aanraking met drugs, dat heeft een uitstraling. Alleen al de uiterlijke aanraking op het kabelnet met een televisiestation als SBS maakt al onrein. Of bij anderen zal het zijn: speculeren met geld op de beurs. Alleen maar een uiterlijke aanraking met wat onrein is, maakt je onrein.
Haggaï zegt: "Denk niet dat de uiterlijke aanraking met het heilige daartegen opweegt. Een rituele lezing van de bijbel na het eten, of zonder dat je hart erbij is je kind laten dopen, of zo nu en dan eens een kerkdienst bezoeken, die uiterlijke aanraking, zolang het uiterlijke aanraking is met het heilige, het werkt niets uit. Het heilige heeft niet de kracht van een automatische uitstraling. Haggaï zegt tegen Israël dat terug is in Jeruzalem: "Je moet niet denken dat je omdat je op een heilige plaats zit nu zelf ook heilig bent. Jammer genoeg, maar automatische uitstraling heeft alleen het onreine, niet het heilige. Anders gezegd: eigenlijk is het heilige heel kwetsbaar. In Prediker 10, wat ik net citeerde, daar wordt vlak daarvoor het beeld geschetst van een stad in belegering. Totale verwarring, dreigende ondergang, de vijand rond de poort, er is in de stad één wijze die haar had kunnen redden, staat er, maar niemand zag naar hem om. En dan komt de uitspraak: "een weinig onverstand heeft meer invloed dan wijsheid en eer.
En wijsheid is beter dan oorlogstuig, maar één zondaar bederft alle goeds." Eigenlijk predikt de Schrift, en Haggaï hier heel diep, het failliet van de schepping van God. Ze is in het bereik geraakt van de boze, en onder de invloed van het onreine wat doorwerkt overal tot aan de randen toe. En die onreinheid wint het van het heilige. Ja, dat zegt de priester in het uiterlijke wetonderricht. Maar dan komt Haggaï. Dan komt natuurlijk in dit profetische boek de wending. Hij zegt: Jullie hebben het wel steeds goed gehoord, zowel bij onrein als bij heilig gaat het in het voorbeeld om uiterlijke aanraking. Dat is het punt waar alles om draait. Het heilig vlees zit in een slip van de mantel, zo bij de andere boodschappen gegooid. Het gaat om een uiterlijke aanraking. En als je dan het hele boek van Haggaï leest, dan snap je waarom hij met dit voorbeeld komt. Hij is eigenlijk vlammend bewogen met een volk dat zich alleen uiterlijk heeft laten aanraken, maar dat niet met de hand, en met de daad, en daardoor ook ten diepste met het hart, Jezus eerst stelt op de agenda, het Koninkrijk van God eerst zoekt, de tempel eerst herbouwt en dan pas het eigen huis.
Kijk, dan is het geen uiterlijke aanraking meer en dan wentelt ook totaal het lot, dan gaat het totaal anders werken. Alle profetieën van Haggaï gaan eigenlijk tegen de nonchalance van de oppervlakkige aanraking. En dan zegt hij twee dingen: de oppervlakkige aanraking met het heilige geeft je niks, dat kan je beter laten. Maar de oppervlakkige aanraking met het onreine, waarvan je denkt dat je daar wel tegen kunt: ik ga hierheen en daarheen, ik lees dit en dat, en alle muziek beluister ik enz. enz., vergis je niet, het heeft een uitwerking die je totaal vervuilt. Dat is Haggaï. Maar hij zegt erbij: "Wanneer je doet wat jullie nu zijn begonnen te doen, -in hoofdstuk 1, ze hebben geluisterd naar de profetie en zijn begonnen met de herbouw van de tempel-, wanneer je dat doet met heel je hart, met je handen, dan sta je onder de machtige belofte, want dan komt de zegen weer terug. Als je die zelfzucht laat wijken en echt het koninkrijk van God in het middelpunt van je leven zet, dan wendt zich het lot en, zegt hij dan: "Van nu af aan zal Ik u zegenen". En dat is natuurlijk de bijzondere belofte van Haggaï aan het slot.
Waar de vluchtige aanraking verandert in toewijding, daar gaat een andere wet werken: de verborgen wet van het koninkrijk van God. En dat gaat dwars tegen die neergaande lijn van Prediker in. En dat is een opgaande lijn. "Ook al lijkt het niets in uw ogen", zegt Haggaï in hoofdstuk 2, toen ze de fundamenten hadden gelegd van de tempel, "het zal de heerlijkheid van de tempel van Salomo ver overtreffen. Straks zal daar staan de Man die zegt: meer dan Salomo ben Ik." En van die toekomstige tempel zal het voorhangsel van boven naar beneden worden weggescheurd, open tot God voor alle volken, en van daaruit op de pinksterdag wordt de Heilige Geest uitgestort, omdat daar het Lam van God gestorven is en opgestaan. Dat is de heerlijkheid van die toekomstige tempel. En hier in Haggaï zien we iets van de stijl van het Koninkrijk van God. Het begint klein, maar het groeit groot uit. Het lijkt eerst niets, maar het wordt door de kracht van God groot. Het is nu nog een miezerig tempeltje, maar er komt straks een heerlijkheid in van God die eigenlijk een zegen uitstraalt tot aan de einden der aarde. De profeet Ezechiël heeft daar een prachtig beeld voor.
Die zegt: Wat ik zie is de tempel, die herstelde tempel waar ze nu aan bouwen, en dan zie ik een klein stroompje water van onder de poort de woestijn in lopen, en dat zwelt aan tot een beek, dat bruist aan tot een rivier, en het geneest de woestijn en de Dode Zee. Ziet u, dat is die omgekeerde wet van het Koninkrijk van God, het begint klein maar het zwelt aan en het geneest de wereld. Want het is waar, de vluchtige aanraking met het heilige maakt niemand heilig. Maar waar het geen vluchtige aanraking meer is maar een zaak van het hart, daar gaat God werken. Dan staan wij onder zijn zegenende belofte en dan gaat een tegenbeweging plaatsvinden, en de neergaande lijn wordt overwonnen. Nota bene, dat is toch eigenlijk het hele verhaal van het evangelie? Dat er één Man was, die drie jaar in Israël rondtrok, en zich toen gegeven heeft als het Lam van God, aan het kruis is gekruisigd, en die ene Man heeft letterlijk miljoenen mensen gezegend, gereinigd van onreinheid, bevrijd van haat. En God gaat er mee door. Is dat niet het grote voorbeeld? Hoe klein het begint en hoe groot God er door werkt?
Via dat kleine mosterdzaadje van Jezus Christus, en in die zegen deelt iedere discipel van Hem, daar komt ineens een opgaande lijn, een Messiaanse tegenbeweging. Die is vele malen sterker dan al het onreine dat ons iedere week weer omringt. Dat is de boodschap van Haggaï in de adventstijd. Ik vat samen. Haggaï zegt: "Lijkt het als niets in jullie ogen wat jullie bezig zijn om te doen? Wanhoop niet." Ben je bang voor de zuigkracht van het onreine? Bidt God, Hij geeft je kracht. Ben je misschien al aangeraakt door de dood? Voel je je ten dode opgeschreven? Denk dan aan die tegenbeweging: de kracht van Jezus' opstanding! God draagt ons door de dood heen. Denk je te gering van je eigen inbreng? Denk dan aan die wet van het mosterdzaadje. God zegt: "Van nu af aan zal Ik je zegenen." En daar is Hij mee bezig. Nu legt Hij de fundering van zijn Koninkrijk, straks breekt het uit. En je kan het zien. Waar mensen hun eigen welvaart en hun eigen weldoortimmerde huizen helemaal aan zijn rijk en zijn liefde ondergeschikt maken, daar zie je het beginnen. Amen. ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.