Gemeente van Christus, Zacharia past in een tijd van advent. Want samen met Haggaï en Maleachi hebben deze profeten in een donkere tijd Israël heengewezen naar de toekomst, naar de komst (= advent) van Jezus Christus. Ik neem even de tijdtabel erbij. Israël is weggevoerd onder Nebukadnezar, de stad is gevallen in 586 vóór Christus, ongeveer iets na 538 v. C. is de eerste terugkeer begonnen onder koning Sirus, en in 520 v.C. zijn de profeten Haggaï en Zacharia opgetreden. We weten dit precies, want de datum staat erbij. Vier jaar later wordt de tempel ingewijd, en dan volgt de laatste profeet Maleachi. Één interessant detail uit dit overzicht is dat hieruit blijkt dat Zacharia heel jong was. Zijn grootvader Iddo was volgens het boek Nehemia actief bij de eerste terugkeer rond het jaar 540 v. C. Dat is de Iddo die als priester diende onder Nehemia, en dat is maar twintig jaar ervoor. Maar hoe je ook je hersens breekt: Zacharia moet heel jong geweest zijn, ik schat 20 à 25 jaar. Wat treft ons nu het meest als we dat hele boek Zacharia overzien?
Ik denk dit: dat de Here Zacharia, voor hij zijn verdere leven als profeet begint, eerst in een achttal visioenen een inzicht geeft in het geheel van zijn heilsplan. Dat heeft me het meest getroffen toen ik Zacharia las, dat overzicht. En daar wil ik beginnen: deze acht visioenen van Zacharia zijn de heilsgeschiedenis in een notendop. In het tweede gedeelte stoten we door naar het hart van zijn boodschap, naar de kern van zijn acht visioenen, en tenslotte komen we bij onszelf: wat doen wij in 1997 met deze boodschap? Dus 3 punten: overzicht, inzicht en opdracht van Zacharia, de profeet. Het overzicht. De Here toont Zacharia in acht visioenen wat Hij zelf doet: zijn heilsplan. Als we dat bekijken merken we dat alles draait om dat vierde visioen: de komst van Christus. Jozua, Joshua, is dezelfde naam als Jezus. Maar die komst raakt heel de wereld. God is heel exclusief in het kiezen van zijn instrument, maar Hij is heel universeel, wereldwijd, in zijn uiteindelijke bedoelingen. Dat kan ik heel mooi laten zien in het overzicht van de acht visioenen. Het eerste visioen. De ruiters gaan uit over de gehele aarde, verkennen de wereld en komen terug met een boodschap.
En in het achtste visioen, daar krijg je weer gekleurde paarden, en de hele wereld komt daar weer in het vizier. Het eerste en achtste visioen horen bij elkaar. De ruiters die er op uit trekken, de hele aarde verkennen, en ze komen tegen de avond terug. Het is een wereld in duisternis, het is avonduur. En het achtste visioen eindigt met die vier paarden in soortgelijke kleuren, met vier wagens, ze trekken uit naar de vier hoeken der aarde, dat staat er heel uitdrukkelijk bij, maar ze komen van tussen twee grote koperen bergen, zoals de tempel ook twee koperen zuilen had. In het Oosten is dat altijd de afbeelding van de morgenstond en de opgaande zon. 'Zie het was avond geweest -het eerste visioen-, en het was morgen geweest -het achtste visioen-, de dag van het heilsplan van God.' Het begint dus met dat eerste visioen. Alles is wanhoop, donkerte.
Zoals Joachim Klepper zijn adventslied maakte: "God lijkt wel diep verborgen in onze duisternis." De verkenners komen terug van het doorkruisen van de gehele aarde en ze zeggen: "De wereld is in volkomen rust." Moet je nagaan, in een tijd vol rumoer en geweld en volkerenopstanden, want toen was dat politiek zo, komen ze terug en zeggen: "De wereld is in volkomen rust!" En de engel van de Here, die daarbij staat, breekt uit in wanhoop en zegt: "God ontferm U!" De uitleg van deze woorden is, juist gezien de reactie van de engel van Jahwe, heel erg eenvoudig. Die rust van de volkerenwereld is het totale onbewogen zijn met de dingen van het Koninkrijk. Ze zijn in geen enkel opzicht bewogen of aangeraakt door de barmhartigheid van God. Geen ritseling van het Koninkrijk is te zien. En de verkenners en de engel zeggen: doodse rust. De zwijgende planeet noemt C.S. Lewis de aarde in een van zijn boeken. In plaats dat de aarde losbreekt in gejuich voor de Koning, is hier alles in doodse rust. Zacharia krijgt al direct in dit eerste visioen heilsbeloften mee. God zegt: "Maar nu ga Ik aan het werk. Ik keer in erbarmen tot Jeruzalem terug." En dan wisselt het toneel.
Het tweede visioen van de vier horens en het derde van de efa en die van de boekrol horen ook bij elkaar. In beide visioenen versmalt zich als het ware even de visie: God gaat aan het werk in de volkerenwereld en ook in het zesde en het zevende visioen is God aan het werk in de volkerenwereld: het versmalt zich. De vier horens zijn de vier agressieve machten in de wereldpolitiek die zich tegen God en zijn Gezalfde verzetten (psalm 2). Maar dan ziet hij hoe daar de smeden komen en de horens afzagen: God gaat het beheersen, gaat er tegenin, en maakt zo ruimte vrij voor het derde visioen. En dit derde en het vijfde zijn ook weer aan elkaar parallel, het lijkt of God ze nog weer versmalt, nu tot Jeruzalem. En die bijzondere belofte in het derde visioen is: Jeruzalem zal op een nieuwe wijze door God worden gebruikt, niet als een versterkte burcht met dikke muren. Zacharia ziet daar die man met de meetlat, en dan krijgt hij de boodschap: zeg tegen die man een negatief woord: "Leg die meetlat weg, want Ik, de Here Zelf zal tot een muur zijn rondom haar (Jeruzalem) en haar heerlijkheid van binnen". Dat is het derde visioen.
En je ziet: God gaat werken door Jeruzalem dat daar ligt als een open stad: een eeuwig model voor de gemeente. En dan volgt parallel daaraan in het vijfde visioen de zevenarmige kandelaar -in Openbaring de zeven gemeenten- die daar op onzichtbare wijze door zeven keer zeven leidingen wordt gevoed door de Heilige Geest, die oliekan met daarachter de twee bomen van de Priester en de Koning waardoor de olie toevloeit naar die zevenarmige kandelaar. Zo is er eigenlijk een beweging als van een zandloper. Het gaat naar het midden, en dan ineens nadat het heilswerk van God in de breedte begonnen, versmalt tot de volkeren, en dan Jeruzalem, dan spitst het zich toe en valt alle licht op één man, die ene man die Jozua heet, en die het hogepriesterschap bekleedde. En in dit vierde visioen ziet Zacharia een klein toneel, het is in de raad van God. Hij ziet hoe Jozua staat voor de troon van God en de satan klaagt hem aan. En het is of God daar verlegen bij staat. En de Here zei tegen satan: "De Here straffe u!" Een vreemde dubbelheid.
Aan de ene kant kan Hij Jozua niet accepteren met vuile kleren aan, en aan de andere kant zegt Hij: "Zo kan het niet." Maar de satan heeft gelijk: hij heeft vuile kleren aan. Hij staat daar als vertegenwoordiger van het volk -dat is de hogepriester-, en hij staat daar met zijn vuile kleding. En dan treedt daar ineens die andere wondere gestalte op, die steeds in deze visioenen intreedt, en dat is de engel van Jahwe, die speciale engel. In het oude testament treedt hij altijd op uitzonderlijke wijze op als de representant van God. En deze engel van Jahwe gaat staan en zegt: "Ik neem zijn ongerechtigheid weg!" En dan geeft Hij het bevel: "Trek hem zijn oude kleren uit en geef hem nieuwe feestkleren!" Hier wil ik als tweede punt bij stilstaan: inzicht. Het inzicht. Dit visioen in het midden van de acht is ons van jongs af aan bekend. Maar het kan ons niet genoeg worden verteld, dit bijzondere verhaal dat daar midden in onze geschiedenis de ongerechtigheid is uitgewist!
Er zal nooit vernieuwing komen in de kerk, en er zal nooit verzoening komen in de volkerenwereld, die nog wijdere kring, en de aarde zal nooit vernieuwd daar staan voor het aangezicht van God, als we niet ons heil hier in de eerste plaats verankeren. De heerlijkheid van de Here in ons midden, wat we ook vieren bij het gebroken brood en de vergoten wijn: het avondmaal. En ook de Geest, bij die kandelaar die door zeven keer zeven leidingen de gemeente voedt vanuit de het oliereservoir, wat weer gevoed wordt uit de priester en de koning. Weer die ene, die dubbele figuur, de Priesterkoning, de Koningknecht, uit Hem stroomt het hele heilsplan van God dat kracht geeft. Er is geen opwekking en geen verzoening in de volkerenwereld, geen vernieuwing en geen groei in ons persoonlijk geloof of het moet steeds weer daaraan ontstoken worden. Daar wil ik bij stilstaan. Midden in dat visioen staat daar die hogepriester Jozua. Het is als op de grote verzoendag, hij staat als representant van het volk in zijn ambt, maar de satan heeft gelijk: hij heeft vuile kleren.
En dat besef hebben wij ook: Israël heeft de afgoden ruimte gegeven, en de kerk, wij weten dat we door de eeuwen heen vuile handen hebben gemaakt. Satan heeft gelijk, maar hij krijgt geen gelijk! Want dan gebeurt daar dat bijzondere, dat daar die gestalte, de engel des Heren intreedt en als het ware daar tussen komt en zegt: "Ik neem uw ongerechtigheid weg!" En dan worden zijn vuile kleren hem uitgedaan, en feestkleren met de tulband als bewijs van zijn ambt weer aangedaan. Dat noem ik een wondere ruil, het is eigenlijk de kern van het evangelie. Het zit in deze twee personen, die Jozua is Jezus, maar ook die engel des Heren is Jezus. Ze vallen in de werkelijkheid, later als het zich vervult, ineen. Jozua, Jezus, die voor ons tot zonde geworden is en als het ware namens de kerk staat in vuile kleren, en de engel des Heren die intreedt en zegt: "Ik neem uw ongerechtigheid weg. Geef hem feestkleding!" Dat is eigenlijk de kern van het evangelie. De bekende Engelsman die gestreden heeft tegen de slavernij, John Newton, noemde dat: amazing grace.
Hij was slavendrijver, maar hij werd geraakt door de boodschap van John Wesley, een opwekkingsprediker, en toen heeft hij dat lied gemaakt, Amazing Grace: wonderbare genade. Dat hij die had meegewerkt aan zo'n verschrikkelijk misdrijf van slavernij, zwarte mensen van Afrika naar Amerika verhandelen, dat er voor hem genade was! En dat zijn vuile kleren werden uitgedaan en dat hij feestkleren aan mocht. Het is het evangelie van de wondere ruil. In 2 Corinthe 5 zegt de apostel Paulus: dat is wat ons drijft, de liefde van Christus. Want we zijn tot het inzicht gekomen dat Één voor allen gestorven is, en dus zijn ze allen gestorven. Christus is voor ons tot zonde gemaakt opdat wij zouden worden gerechtigheid voor God in Hem. En wat u ook gedaan hebt en waar u ook vandaan kwam, en welk verleden ons ook bezwaart, dit punt in het midden van de geschiedenis, het is geen nauwe poort, het is een hele diepe bron. Wat er ook in ons leven is gebeurd, we kunnen altijd weer ons daarin dompelen en we kunnen altijd weer opnieuw vergeving vragen: Amazing Grace, we krijgen nieuwe kleren aan. En Hij, Hij heeft onze zonden voor ons weggedragen. De satan heeft gelijk, maar hij krijgt geen gelijk.
Dat is het diepste punt in deze acht visioenen. De opdracht. Wat betekent dit diepste inzicht nu voor ons in de praktijk, wat doe ik ermee? Ik dacht daarover: probeer dat nu eens toe te passen voor mezelf, wat heeft het voor mij nu te betekenen in het dagelijkse leven? Ik kwam op twee punten: 1. het leert me een andere houding; 2. het geeft me een opdracht. Die opdracht staat trouwens ook letterlijk in vers 6. Eerst: een andere houding. Ik denk dat dat wat mij betreft betekent dat ik niet langer zo hopeloos defensief ben. Want wij allemaal, als we worden aangeklaagd zijn we hopeloos defensief, dan denken we: ja, het is zo en dan overvalt ons een angst voor de veroordeling, en vanuit die angst weren wij de aanklacht af, en worden extreem defensief. Dát verandert, Satan klaagde Jozua aan, en niemand sprak hem tegen, en toch hoeft Jozua niet bang te zijn voor hel en oordeel! Wij kunnen wanneer we worden aangeklaagd met alles wat er is gebeurd heel eerlijk worden, open en eerlijk omdat we er weg mee weten. En dat bewaart ons voor dat verschrikkelijke defensieve waardoor we nooit bij elkaar kunnen komen.
Want we weten er weg mee doordat we met datgene waarin we fouten maakten, met de vuilheid van onze kleding, naar Jezus Christus gaan en Hem vragen: Wilt U die vuile kleren mij afnemen en mij nieuwe kleren aandoen? Vergeef me wat ik verkeerd heb gedaan en bekleed me met uw nieuwe mens. En dat doet Hij dan ook! Dan komt Hij in ons en dan bekleedt Hij ons met de nieuwe mens, zoals we lazen in Kolossenzen 3. Dan mogen we Hem aandoen. Daardoor hoeven we niet vastgekleefd te zitten aan het verleden, hoeveel wij ook hebben bedorven of verspeeld. Er is altijd een weg terug, en dat gaat via die nauwe poort van Jezus Christus, die tegelijk een diepe bron is: De weg van verzoening. En dat heeft ook ontzaglijk veel te betekenen voor de wereld, de samenleving van de volkeren, en voor de kerk. Dat hebben ze in Zuid Afrika goed begrepen: rassen moeten zich met elkaar verzoenen. Wij moeten ons met elkaar verzoenen: Joden en Zwitsers, Surinamer en Nederlanders, de Ieren en de Engelsen, protestanten en katholieken, dat kan allemaal alleen als het door de nauwe weg gaat die hier als kern van alle heil gegeven wordt: vergeving aannemen die Jezus voor ons verworven heeft.
Daarom zegt de apostel ook als hij gesproken heeft over die wondere ruil: Laat u met God verzoenen, dan komt er genezing. Dat geldt voor de volkerenwereld, maar dat geldt ook voor de kerk, waar we aan elkaar beschadigd kunnen raken. Wees niet defensief, maar wees daarin heel open en kwetsbaar. Dat kan omdat we er weg mee weten, omdat we weer terug kunnen keren naar de bron, ons daar kunnen laten reinigen en er zo een nieuwe gemeente, een levende krachtige gemeente kan groeien, één waar ze vroeger verdeeld was. Dat betekent voor mij het eerste: een verandering in houding. Maar het tweede wat het betekent is een opdracht. Dat staat letterlijk in vers zeven: wandel in Mijn wegen en neem de door Mij aan u opgedragen taak waar, dan geef Ik je een bijzondere plaats in Mijn huis, dan mag je de voorhoven bewaken, en dan mag je straks in Mijn Raad staan. Een prachtige belofte die hij meekrijgt! Dat wil zeggen, die concentratie op dat ene nodige, de vergeving in Jezus Christus en het nieuwe leven, die maakt ons niet tot een groep naar binnengekeerde vromen, integendeel. Wandel in mijn wegen, zegt hier de engel de Heren, eigenlijk Jezus voordat Hij mens is geworden.
Wandel in mijn wegen, dat wil zeggen dat we in de praktijk van iedere dag daadwerkelijk handelen zoals Hij gehandeld heeft. We trekken de nieuwe mens aan zoals dat staat in Kolossenzen 3. En het tweede was: Doe de taak die ik je opdraag! Ieder mens krijgt van God een taak. Doe die taak, en dat betekent: wees in het kleine getrouw. We hebben geen van allen grote taken, het zijn de kleine dingen, in je omgeving, je huis, je gezin, je werk, het hele leven bestaat uit een serie van kleine dingen. Wees in die kleine dingen trouw, wees in kleine dingen groot! Dat is de opdracht. Om vanuit die houding te leven door te putten uit de bron, door je door het nieuwe leven van Jezus helemaal te laten doortrekken: "Wees in het kleine getrouw en dan zal Ik je ook over het grote stellen", zegt de Here, "dan geef Ik je een bijzondere plaats in Mijn tempel, dan mag je de voorhoven bewaken, zegenen, en dan krijg je een uitstraling naar buiten toe in positieve zin, je mag daar mensen ontvangen, bemoedigen om mee te doen in de gemeente, en tenslotte: je krijgt een plek bij Mij in mijn raad, je krijgt een erepositie aan het slot.
Als dat zo is gaan we ook weer opnieuw begrijpen hoe dit visioen in de breedte gaat uitwaaieren. Wanneer we zo onszelf laten vernieuwen dan worden we een gemeente die licht verspreidt -het vijfde visioen-, waar de Geest door kan werken, en dan komt daar die boekrol die vliegt en die heeft een reinigende werking ook buiten de kerk in de volkerenwereld. Hij brandt diefstal en bedrog weg, de boekrol vliegt naar de huizen waar dit gebeurt, brengt daar gericht en reinigt zo de wereld. En de efa met de vrouw, de goddeloosheid, ze gaat terug naar Sinear, waar ze vandaan kwam. En dan komen daar die vier wagens aangedraafd en de kracht van Gods legermacht, en die gaan naar het noorden, naar Babylon, daar waar het allemaal fout ging, Sinear. En het laatste visioen bemoedigt ons met een uitzicht dat ongelooflijk is: Zelfs het land der duisternis zal weten wat Uw luister is. Babel, de duivel, de hel zelf, ze worden opgeruimd: dan zal daar in het noorderland, de oorsprong van alle kwaad, Mijn Geest tot rust komen. Dat gaat gebeuren als de Koning binnenrijdt (psalm 96). En met dat uitzicht wil ik sluiten. We leven de komst van de Koning tegemoet, we leven in adventstijd.
Zo zal Zijn Koninkrijk beginnen: de Rechter rijdt de wereld binnen, Hij richt de aarde naar Zijn recht, het pleit der volkeren wordt beslecht, Zijn trouw en Zijn waarheid overwinnen!! Amen. ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.