Preek 6 van 13 uit de serie De twaalf kleine profeten
zondagmorgen 19 oktober 1997 · Wim Rietkerk

Gemeente van Christus, Micha is geboren ongeveer in het jaar 750 voor Christus. 724 voor Christus is Samaria gevallen, dus in de tijd dat hij profeteerde, en nog een eeuw later en dan valt ook Jeruzalem. Micha, 'Mi' betekent wie, en 'cha' is een afkorting van 'cha ja hu', en dat betekent de naam Jahwe. Dus 'wie is als Jahwe' dat is de naam die zijn ouders hem hebben gegeven. Maar aan het slot van het boek Micha, zoals we lazen in hoofdstuk 7, dan vinden we die naam in zijn eigen boek terug: Wie is een God zoals Gij, die zelfs onze zonden werpt in de diepten van de zee?" Dat is Micha. Zoals een kunstschilder zijn eigen handtekening zet in een hoekje van het doek, zo laat Micha aan het slot ons voelen wat hem zijn hele leven lang gedreven heeft, wat hem vervulde onder de kracht van zijn eigen profetie. De grote verwondering: Wie is een God als Gij? Onvergelijkelijk, in geen beelden te vangen. Al onze voorstellingen gaat Hij te boven. Een woord als dit is eigenlijk alleen in muziek te vangen, en toen ik deze preek maakte, schoot me te binnen dat de grote J.S. Bach hier een cantate op gemaakt heeft, precies op dit vers: U, Jehova wil ik zingen, want wie, wie is een God als Gij?

Dit grote, diepe, blije ontzag voor de onvergelijkelijke grootheid en diepte van God, dat is wat ik proef door heel het boek van Micha heen. Als ik bij het begin begin: hij ziet hoe God een rechtsgeding heeft met de volkeren. Daarmee begint het boek in hoofdstuk 1, vers 2, een oproep aan de volkeren: Volkeren luistert allemaal, alles wat op aarde leeft let op: de Heer klaagt u aan. Psalm 97. Maar als we verder lezen dan blijkt dat die aanklacht zich toch met name richt op Israƫl. En de profeet Micha wil Israƫl zeker niet de grond instampen met zijn oordelen, hij spreekt ook van een machtige heilstijd, hoofdstuk 4. Alleen, dan moet er eerst nog heel veel gebeuren, want zo kan het niet. Dat is ook Micha ten voeten uit. Verschijnen voor deze onvergelijkelijke God, dat kan niet zomaar. En er volgt aanklacht op aanklacht, de profeet lijkt wel de officier van justitie in dat grote rechtsgeding. Hij stelt Israƫl in staat van beschuldiging. En dan verschijnt in hoofdstuk 5 die bijzondere strafpleiter, iemand uit Israƫls eigen midden, en die zal de vrede kopen, voor Israƫl en de volkeren, uit Bethlehem Efrata geboren. Een Koning die een Herder is, wiens oorsprong is vanouds.

Ja, en als dat zo is dan durft Micha dat rechtsgeding universeel te maken. Hij betrekt er in hoofdstuk 6 heel de schepping bij. Wat is Israƫl gebeurde en gebeurt, het raakt alle volkeren in de wereld. Daar in Jeruzalem, daar staan de zetels van het gericht, zongen we, psalm 122, de troon waar David zal regeren. En zo worden we allemaal aangesproken in dat vers waarmee we de dienst openden. Micha 6: 8: "Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat de Here van u vraagt." En wat is dat anders dan rechtdoen en liefdevolle trouw praktiseren en oprechte overgave, overgave tot God. Zeker, dat woord is een kernwoord uit Micha's profetieƫn. Maar zoals ik zei, het hoogtepunt is het slot. Dat juist ook Micha zelf wordt heengeleid tot aanbidding: Ik zal uitzien op de Here, ik zal wachten op de God van mijn heil, wie, wie is een God als Jahwe? Weten we nog wel wat dat is? Aanbidden, lofprijzen? Lof, aanbidding, wijsheid, kracht, worden op aarde en in de hemel Heer, voor Uw liefde U toegebracht. Dat is aanbidden. Je helemaal verliezen in een God die alle begrip te boven gaat en zelfs je stoutste verwachtingen overtreft. Dat is Micha, zo zijn we weer in ƩƩn hoofdlijn door het hele boek heengegaan.

En daar verdiepen wij ons nu in. Hoe kwam Micha daar toch toe, en wat leidde hem tot die aanbidding? Ik denk drie dingen. Eerst zien we in het eerste deel hoe Micha de kloof vergroot, dan in het tweede deel hoe hij de brug legt, en in het derde deel drijft hij iedereen eroverheen, tot het uitmondt in aanbidding. Zo wil ik u hiermee de profeet Micha op het hart binden. Punt 1: Micha schetst een ongelofelijke kloof, en hij doet het op veel manieren. Hij klaagt allen aan, de leiders van het volk, want zij, in hun verdediging van het land tegen de Assyriƫrs die opdrongen uit het noorden, de hoge ambtenaars en de generaals, zij verdrongen eerst de armen en de weduwen, ze stalen hun grond om daarop hun verdedigingswerken en hun eigen huizen te bouwen. Dat is altijd zo. Als een samenleving gaat kraken, zijn de zwakken het eerst de dupe. Dan wringen de sterken zich naar voren. Zo is het in die tijd, en dat gebeurt met veel corruptie, met veel bedrog en met veel geweld. Micha noemt ze rechtverkrachters en aartsrovers. Zo spreekt hij ze aan, hij trekt verschrikkelijke beerputten open, nog erger dan die van de zaak Dutroux. Mensen die elkaar letterlijk opeten, dat is er echt zo.

En tenslotte verwijt hij de voorgangers van die tijd dat zij hun schapen de hemel in preken. Micha zegt: "Weet u wat de waarheid is? God heeft een rechtsgeding met u!!" Dat is Micha. En de leiders van het volk hebben het gelezen en zeggen: "Man, hou toch op met dat gepreek, we zijn afstammelingen van Jacob, en ons heeft de Here trouw beloofd. Zou Hij er genoeg van krijgen??" En ze gaven hoog op van de trouw van God. En Micha noemt het valse gerustheid. Zelden was die boodschap zo actueel als vandaag. Want vandaag is de stemming in onze samenleving - en dat dringt ook binnen in de gemeente- tweeƫrlei. Als er al gesproken wordt van God die Rechter is, dan zegt het merendeel van de mensen: als er een God is, dan zal Hij zich tegenover ons moeten rechtvaardigen! Dat is een arrogante verwaten houding van de west Europeaan. "God in the dock" (God in de beklaagdenbank), dat is een titel van een onlangs verschenen boek. Terwijl Luther nog worstelde met: "Hoe krijg ik een genadige God?" Hij zag zichzelf in de beklaagdenbank zitten en zei: Maar wat kan ik doen dat ik voor Zijn rechterstoel kan bestaan?

De west Europeaan zegt precies het omgekeerde: Wat kan God doen om zich voor mij te rechtvaardigen? En dan is de boodschap van Micha wel nodig. En waar mensen wel religieus zijn, en waar ze open staan voor de Celestijnse belofte, daar krijg je een beeld van God als een alles doordringende wattendeken, een alles doortrekkende energie, die zich over alles heen vlijt, over ons gekneusde leven, zo gelooft de west Europeaan. Dus wij hebben Micha nodig. Micha zegt: God is anders. God is geen zielige aangeklaagde, en nog minder een wattendeken. Maar God troont in de hoge, en Hij roept alle volkeren op tot verantwoording! En Hij ziet lijnrecht, dwars door tot de bodem van ons hart, al ons egoĆÆsme en onze hebzucht, en onze hoogmoed. Al onze zonden. Gebrek aan eerbied voor het leven, dat is wat vandaag aan de orde is. Daar komen alle dingen uit voort, inderdaad. "Uw zonden houden u gescheiden van God", zegt Micha, "Hij heeft met u een rechtsgeding!" En zo stelt hij de kloof. Dat was het eerste, daar gaan de eerste hoofdstukken over. Dan lezen we verder. Toch is Micha geen doemprediker. Integendeel, midden in het boek, in hoofdstuk 4 en 5, daar verkondigt hij waar zijn eigenlijke hart ligt.

En dat ligt in dat diepe weten dat de God van Israƫl niet op onheil uit is, maar op heil. En hij zegt wat we zongen, in het eerste lied: Hij zet zijn plan door. We hebben het gelezen. Het is een ongekend visioen, van heil voor alle volkeren rondom Jeruzalem. De tekst die we lazen staat zelfs in marmer gegraveerd op de deur van het gebouw van de Verenigde Naties in New York: 'Zwaarden zullen worden omgesmeed tot ploegscharen, en speren tot snoeimessen, en geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en ze zullen de oorlog niet meer leren.' Die heilstijd komt als de Heer terugkomt en rechtspreekt over de volkeren. Maar hoe kom je daar? En hoe krijg je daar deel aan? Dat is zeker het hoogtepunt van het middendeel van Micha's' profetieƫn, hoofdstuk 5. Dat zie ik als de brug. De enige brug naar die heilstijd is die wondere afstammeling uit het geslacht van David, uit het huis van David. Straks wordt Hij geboren in Bethlehem Efrata: "Al zijt ge klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Hij voorkomen die een heerser is en zijn oorsprong is van ouds, en Hij zal staan en Hij zal u weiden." Dat is het werk van een herder.

"Hij zal staan en Hij zal u weiden als een herder in de kracht des Heren, en u zult rustig wonen, want Hij zal groot zijn tot aan de einden der aarden, -waar Hij ook de discipelen naar toe stuurde-, en Hij zal vrede zijn." Dat is het midden van Micha's profetie. Wie twijfelt of hij daar wel ooit komt, die moet zich dus onder deze koning stellen. Er is eigenlijk maar ƩƩn brug over deze kloof heen naar de heilstijd, naar God en Zijn heil, en dat is de navolging. Geloven in Jezus Christus die Hij gezonden heeft, en bij Hem schuilen in je schuldbesef, en in Hem geloven als de enige brug die God over de kloof gelegd heeft. Dat geldt voor Israƫl, dat geldt voor de volkeren. Dat geldt voor Israƫl: "Ze zullen zien op wie ze doorstoken hebben, en over hem een weeklacht aanheffen als over een eerstgeborene", zegt een andere kleine profeet. Dat geldt ook voor de volkeren: in het boek Openbaring lezen we: "Gaat het niet goedschiks, dan zullen ze voor Hem buigen kwaadschiks. Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien. Alle stammen der aarde", staat er dan.

Alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen dat zij niet in Hem geloofd hebben, dat zij Hem in feite opnieuw gekruisigd hebben. Ontzettend! En dan zal Hij over hen richten, als Rechter van het heelal. Dat is vreeswekkend. Het valt niet samen met verdoemen, maar het zit erbij. Voor een eeuw verdoemen, maar het valt er niet mee samen. Want richten, dat heb ik al vaak gezegd, is tegelijkertijd rechtzetten, rechtbuigen wat krom is, alle verzet doorbreken, alle zonde en verzet er uit branden, tranen drogen, genezen. Zo zal het gaan. Jezus is de brug over de kloof. Maar dan het derde en laatste, we zijn nu bij hoofdstuk 6: het zal om uzelve gaan. God wil niet dat wij onze keuzes en beslissingen voor ons uitschuiven. Kwaadschiks straks, met veel pijn en wroeging, is het dat wat we willen? God wil dat we het goedschiks doen, uit innerlijke eigen bereidheid. En dat is het magistrale hoofdstuk 6. Het rechtsgeding wordt weer opgenomen, en het wordt verwijd en verdiept. En heel persoonlijk. Het loopt uit op dat persoonlijk toegespitste woord: "Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat de Here van u vraagt." Niet o, Jacob, of o, Israƫl, of o, Adam. Het rechtsgeding wordt verbreed.

Heel de schepping wordt er bij geroepen als getuige: "Hoort gij bergen de aanklacht, en gij onwrikbare grondvesten der aarde?" Het gaat over de ontmoeting tussen God en de mensheid. En de Rechter blijkt ten diepste toch ook weer hier een vader: "Mijn volk, wat heb ik u aangedaan?" Is dat een aanknopingspunt? Want Hij zet zich hier even vrijwillig in de aangeklaagdenbank. "Heb Ik jullie reden gegeven om zo de afgoden na te lopen?" En dan komt Israƫls' reactie, maar wel heel persoonlijk, in de ik-vorm, voor ieder individueel lid van het volk. "Wat moet ik doen?" vragen ze, ineens ik. Niet wij, maar 'ik', in een plotselinge betrokkenheid, "Waarmee zal ik ooit de Here tegemoet treden en mij buigen voor de God in de hoge? Brandoffers of eenjarige kalveren? Zal ik mijn eerstgeborenen geven voor de zonden van mijn ziel? Is dat wat Hij wil?" Zo kwelt zich hier de berouwvolle zondaar. En dan komt het antwoord van boven: "Ik heb u bekend gemaakt o mens wat de Here van u vraagt. Hij wil niet iets van u, Hij wil u zelf." Dat is eigenlijk het antwoord. Dat is de kern van dit inhoudsvolle woord van Micha. Wij denken altijd weer opnieuw dat God iets van ons vraagt.

In 'lichte' kerken weinig: ƩƩn keer in een jaar naar de kerk of zo, in zwaardere kerken iets meer: ƩƩn keer in de maand naar de kerk, en in heel zware kerken nog meer: twee keer per zondag? Dat is allemaal onzin natuurlijk. God vraagt helemaal niet iets van ons. Hij vraagt onszelf. En dat is de inhoud van het antwoord dat Micha hier hoort. Niets anders dan: recht doen, getrouwheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God. Er ligt hier de nadruk, niet zozeer op wat we moeten doen, maar op een zijnswijze. Het is in enkele pennenstreken een zijnswijze: wandelen met God, iedere dag, me aan Hem geven, me openstellen voor Hem. Eigenlijk is dit een kenschets van een huwelijk. Een goed huwelijk is niet dat twee mensen elkaar altijd maar iets geven, dan is het niet goed. Het is pas goed als ze zichzelf geven. En dat komt uit in een zijnswijze. En de geur van die omgang met God, dat zit in die laatste woorden verspreid. Die gerechtigheid is de ander ruimte geven, en liefdevolle trouw in alle verbanden waarin we staan, en dan opmerkzaam wandelen met uw God. Die zijnswijze is iets dat alle rechten en plichten te boven gaat.

Vrijwillige liefdevolle toewijding aan God en aan de mens, dat is wat de Here van u vraagt. Wat de Spreukendichter zegt: Mijn zoon, geef me uw hart. Niet iets, maar jezelf. Dat is heel persoonlijk, en daarmee zijn we weer aangekomen bij het slot van Micha. In de eerste plaats zagen we: Micha is de profeet die de kloof vergroot (hoofdstuk 1-3) en die het heil voorzag, en die de brug verkondigde (hoofdstuk 4 en 5), en die in hoofdstuk 6 iedereen persoonlijk ertoe dringt om te komen, om onszelf te geven. En dan sluiten we af met het zevende hoofdstuk, en daarin komt hij zelf. Want Micha eindigt met een psalm, in de ikvorm: "Ik zal uitzien naar de Heer, ik zal wachten op de God van mijn heil, ik zal Zijn gramschap dragen, Hij zal mij uitleiden in het licht", en dan eindigt hij in die aanbidding: "Wie, wie is een God als Gij?" Daar eindig ik mee. Wat bijzonder dat we in dit profetische boek van Micha niet alleen de grote woorden van God tot ons horen, maar ook het antwoord van de profeet. En nog extra bijzonder dat het uitmondt in aanbidding.

"Hij is onvergelijkelijk", zegt Micha: "Wie is een God als Gij, die onze zonden ziet en Hij werpt ze in de diepte van de zee?" Daar eindigt Micha, in Gods trouw en aanbidding. En daar eindigen wij mee: Eeuwig dank en ere, lof, aanbidding, wijsheid, kracht, worde op aarde en in de hemel, Here, voor Uw liefde U toegebracht! (lied 287). Amen. ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.