Preek 5 van 13 uit de serie De twaalf kleine profeten
zondagmorgen 12 oktober 1997 · Wim Rietkerk

Gemeente van Christus, Gisteren was het 'Grote Verzoendag' en vierde heel Israël 'Jom Kippoer'. En deze week, -en dat sluit daar mooi op aan-, is het daar dus loofhuttenfeest. En wat nu zo speciaal is, is dat op de Grote Verzoendag aan het eind van de dag het boek Jona wordt gelezen. En wij sluiten daar deze zondag met het boek Jona dus heel bijzonder bij aan. U kunt zich voorstellen dat ik deze week steeds met de vraag zat: waarom lezen ze nu toch aan het eind van Grote Verzoendag en aan het begin van het Loofhuttenfeest Jona? Afgelopen vrijdagavond was ik op een bijeenkomst, en daar zag ik iemand met een keppeltje, een joodse man, en mijn eerste vraag toen we elkaar hadden begroet was: "Waarom wordt nu eigenlijk bij Jom Kippoer, aan het eind van de Sabbat, het boek Jona gelezen?" Het antwoord was: "Om twee redenen. De eerste is: het boek Jona laat ons zien hoe ver de genade van God reikt. Aan het slot van de Grote Verzoendag dan leest heel Israël de bekering van Ninevé. En dan moet je weten wat voor stad dat was!

Dat is dus een waardig slot van de Grote Verzoendag, maar de tweede reden is dat het boek Jona eigenlijk voor ons een spiegel is, en wij Joden hebben eigenlijk een hekel aan dat boek. Want wie het boek Jona leest ziet in de spiegel zijn eigen gezicht, en hoe ziet dat er uit? Zeer confronterend!" En bij dat tweede punt wil ik nu beginnen: Jona als een spiegel. Een uniek boek tussen die twaalf kleine profeten. Alle andere kleine profeten bevatten profetieën, dat kunt u zo nalezen. Maar dit boek niet. Dit boek gaat over de profeet. En daarom zeggen de uitleggers allemaal: het is alsof midden in die profetieën daar ineens één klein -inderdaad ironisch, en zeker ook humoristisch, maar wel zeer confronterend-, boekje verschenen is, waarin het nu eens even niet in de eerste plaats gaat over de inhoud, maar vooral over de boodschap achter de boodschap. Als we gaan lezen, ik lees even uit hoofdstuk 3: Maak u op en ga! Die twee lettertjes 'ga' dat is eigenlijk de grote opdracht! Het is wel heel opvallend, -en dat had ik nooit eerder ontdekt-, dat de Here Jezus als Hij de discipelen er op uit zendt met de grote opdracht naar de einden der aarde, 'ga dan heen' dan citeert Hij Jona.

Want dit woord 'ga', als je het in het hebreeuws vertaalt, dan is dat letterlijk het woord dat Jezus gebruikt: ga dan heen en verkondig het evangelie tot aan de einden der aarde. Dat is de roeping, dat is dus de opdracht. En waarheen moet Jona gaan? Ninevé! Ik zei al, die joodse man zei tegen mij: Dan nog wel naar Ninevé, de stad die Nimrod stichtte, aan het begin van de bijbel, dat was zo'n woeste opstandeling tegen God, en die stad heeft een geschiedenis, eigenlijk één grote geschiedenis van goddeloosheid. We kennen in het oude testament Sanherib, die kwam daar vandaan, de vijand van Israël. En Ninevé staat vol met tempels van de meest walgelijke afgoden, en dan? Het was de hoofdstad van Assyrië in die tijd, dat waas de grootste vijand van Israël! En daar moet Jona naar toe! Denkt u dat hij het deed? We weten het allemaal: hij deed het niet. Jona vlucht. En hij vlucht naar Tarsis, en dat ligt in Spanje, en Spanje was voor Israël 'de einden der aarde'. De evangelist op de vlucht. De drager van de waarheid van God in de wereld sluit zich liever op in het vooronder van een zeeschip, en sukkelt daar in slaap. Vlucht en slaap, dat zijn de twee woorden die de profeet kenmerkt.

"Ga dan heen", zegt de Here God tegen de duif van zijn gemeente, want Jona betekent duif. Overschrijdt de taalgrenzen, -want dat is onvermijdelijk-, trek heen over etnische grenzen, over culturele grenzen, over religieuze grenzen. Dat moet je vooral zeggen in onze multiraciale samenleving. Trek over al die grenzen heen! Overschrijdt ze! Dat zegt de Here God. Vertel ze de waarheid van het evangelie. Tja, wat doen wij daar eigenlijk aan? En wat doe jij daar aan? De gemeente van Christus moet over grenzen heen. Maar als Jona de opdracht krijgt, met alle respect voor de inhoud van de boodschap, hij is orthodox, hij gelooft in de drieslag van de catechismus -ellende, verlossing en dankbaarheid-, dat is Jona ten voeten uit, dan zegt hij maar één ding: "Naar Ninevé ga ik niet! Dáár ga ik echt niet naar toe, er is ten slotte ook nog zo iets als uitverkiezing! Ik moet er toch niet aan denken, straks lezen die Ninevieten de Thora!!" Wij zouden zeggen: straks krijg nog een kerk met meer turken dan Nederlanders! Jona acht God daar echt toe in staat. Hij zegt: "Ik zie het Hem nog doen ook!" Maar hij moet er niet aan denken. In ieder geval, hij wil er niet zijn leven voor inzetten.

Hij vlucht en valt in slaap. En het ontroerende van het boek Jona is dan dit, dat God het daar niet bij laat. Drie stappen zijn nodig om Jona's hart te bekeren. Eigenlijk is Jona het boek dat verteld hoe God een bekeerd mens bekeert. Drie stappen. Punt 1: Jona wordt teruggeworpen op die ook voor hem zelf onverdiende genade. Dat is hoofdstuk 2. En punt 2, hoofdstuk 3: Jona wordt ooggetuige van Gods erbarmen, zelfs over Ninevé. En punt 3, hoofdstuk 4: Jona krijgt een retorische vraag mee die achterblijft als een dolk in z'n buik. Over dat eerste punt: Jona vlucht. Psalm 139: maar waarheen zou een mens vluchten, weg van het aangezicht des Heren? Dacht je dat het hem ooit zou lukken? God weet hem heus wel te vinden, en God zoekt hem op. En moet u dan een s opletten wat Hij doet. We kennen het verhaal, maar wat de bedoeling van God met dit verhaal is? Als we lezen: Hij verwekte storm, dat schip komt in grote nood, de mensen spreken die ene vreemdeling aan, betrekken hem erbij, werpen het lot, het valt op hem en dat is hij de schuldige, en in dat heidense denken waarbij je de god dan verzoent met het offer van deze man. En Jona, helemaal down, zegt: gooi mij maar in het water.

En ze zwiepen hem de zee in en daar verdwijnt Jona in de diepten der zee. En dan moet je eens opletten op dat ingelaste hoofdstuk 2. Dat laat precies zien wat God Jona wilde leren. Want het wonder van die enorme vis die Jona opslokte en dan ineens weer uitspuwt, is dat door die wondere weg Jona leert dat zijn eigen verkiezing en zijn eigen redding, dat die onverdiend zijn. Hij leert daar roepen tot God, en ondergaat dan dat grote wonder dat God hem redt op een zeer bijzondere wijze. De vis spuugt Jona uit en hij zingt het loflied. Dat doet mij denken aan het dopen. Eigenlijk is dat het eerste wat Jona moet leren, hij moet leren wat wij bij de doop leren, wat we de kinderen altijd weer uitleggen, dat water is het water van de golven waarin we onder gaan. Ons menselijk bestaan gaat onder in de golven, de golven van het gericht, soms expliciet de golven van de toorn van God, de golven van de dood, daar verdrinken we in als God ons er niet uit redt. En dat doet Hij door Jezus. Als we in Hem geborgen zijn, worden we door die golven heen gedragen, en dat is verkiezing. Verkiezing is niet bevoorrechting, maar begenadiging, en dan natuurlijk daarna die opdracht.

En genade is beseffen hoe onverdiend het is dat God ons langs die wondere wijze in die geborgenheid, in die grote vis, dat Hij ons daardoorheen vasthoudt en liefheeft en weer nieuw leven geeft in Christus, als Zijn kinderen en erfgenamen. Dat is de basis. En dan het tweede: Jona is er nog lang niet als hij dit beseft. Dat denken wij wel, maar het is alles nog ik-betrokken. Je kunt dat hoofdstuk 2 ook lezen met een rood potlood en dan moet je eens onder alle woordjes ik en mij een streepje zetten. Dan regent het van de streepjes! Alles draait nog om Jona zelf. Oké, hij is gered, hij zingt een danklied tot God, maar het is alles ik, ik, ik. En tenslotte is hij gehoorzaam, maar het is wel afgedwongen. Hij gaat naar Ninevé, maar o, o, wat een zendeling! Hij loopt daar in Ninevé rond, zo kil als wat en hij zegt gewoon: "Nog veertig dagen en dan keert God jullie ondersteboven!" Dat is alles wat hij zegt. Keihard zegt hij de waarheid van God en als hij dat gedaan heeft is hij blij dat het erop zit en hij loopt naar de heuvel ten oosten van Ninevé en daar gaat hij zitten, om te zien wat God nu gaat doen. Maar dan lezen we hoe dat onmogelijke gebeurt: God geeft daar een opwekking!

De Ninevieten horen die boodschap en hen overvalt grote schrik. En dan staat er: "Tot hun koning toe, allemaal, ze scheuren hun kleren en zeggen: wie weet, wie weet heeft God berouw!" Zelfs hun beesten, de schapen en de runderen, ze vasten mee, ze krijgen geen eten, zelfs zij moeten meedoen met het vasten voor God, en de Here God haalt zijn hand over zijn hart. Er staat: En Hij kreeg berouw over het kwaad dat Hij over hen beraamd had en Hij deed het niet. Ik zei al, dit is de tweede stap van God om die bekeerde Jona te bekeren. Hij laat het Jona gewoon met eigen ogen zien dat zijn ontferming niet alleen uitgaat naar Israël, en niet alleen naar deze enkeling Jona, maar ieder volk en iedere enkeling die berouw heeft en zijn kleren scheurt en terugkeert tot God. Ieder volk ter wereld, en iedere enkeling die dat doet mag rekenen op de genade van God. Jona zei gewoon: nog veertig dagen en jullie gaan er allemaal aan. En toen greep de Geest van God dat goddeloze Ninevé aan en wat gebeurde? Ze bekeerden zich. En dan zie je dat wonderlijke, dat dat die orthodoxe Jona steekt. Hij denkt: een God die niet doet wat Hij gezegd heeft!

Hij heeft het toch gezegd: "Ik keer die stad na veertig dagen om", en nu doet Hij het niet! Dat is wel heel speciaal als het gaat om de absolute gerichten van God. Je ziet toch altijd weer in de bijbel dat blijde nieuws: wie weet doet Hij het niet, wat Hij gezegd heeft! En daar speculeren de Ninevieten op: "Wie weet doet Hij het niet!" En daarom eindigt de Grote Verzoendag denk ik met Jona, om duidelijk te maken: inderdaad, God ontfermt zich zelfs over Ninevé. We zijn nu aangeland bij hoofdstuk 4. Daar zit Jona, op een heuvelrug tegenover de grote stad Ninevé, onder een hut die hij zich daar gebouwd had. Ik vond dat wel typisch, een hut, een sukka. En Sukkot is loofhuttenfeest. Zo viert Jona zijn loofhuttenfeest: Nu zou hij mooi kunnen zien hoe God de volkeren zou vernietigen. Dan leert de Here God hem die les: vanuit zijn loofhut ziet hij hoe op die veertigste dag het gericht omslaat in ontferming, en Ninevé gaat vrijuit! Een voorteken van het vrederijk. Echt loofhuttenfeest vieren is zitten in een hut, en dan vreugde hebben over de volkeren die daar heenstromen naar Jeruzalem.

Dat staat te gebeuren, Zacharia 14: dan zullen de volkeren het loofhuttenfeest vieren, optrekken naar Jeruzalem, en van de Here de Thora leren. Dat staat er zo letterlijk. Maar hoe dan ook, Jona is er niet door gesticht. hij is alleen maar geërgerd, sterker nog, hij wordt down, hij raakt zelfs zwaarmoedig. Neem mij dan maar het leven, zo erg ergert hij zich aan dit gebeuren. Ik moet steeds weer denken aan de oudste broer van de verloren zoon uit de gelijkenis van Jezus. Diezelfde ergernis. Moet je nagaan: leven wij daar een heel levenlang met God, we offeren er alles voor op, en dan komt daar op het laatste moment die verloren zoon, of dat fascistische volk, of dat verlopen Amsterdam, of die moordenaar aan het kruis, dat smerige Ninevé. En op het laatste moment laat God ze nog binnen! Jona ergert zich groen en geel. En dan stoot God door naar de kern, en dat is die voor mensen niet te doorgronden, onvermoede barmhartigheid, bewogenheid van God. En dat laat Hij Jona dan zien, met dat ironische voorval van de wonderboom. Er schijnen van dat soort struiken te zijn, die in razend tempo opgroeien. En die boom bij Jona schiet daar in één nacht tevoorschijn, geeft hem schaduw: Jona blij.

Maar een dag daarna knaagt een worm de wortel door! Een vis, een schaap, een rund, een worm, de dieren zijn belangrijk in dit boek Jona, belangrijk voor God. En de worm doet zijn werk, en Jona zit weer in de brandende hitte. En dan komt God tenslotte met zijn belangrijke les naar Jona en Hij zegt: "Jona, waar zit nou toch eigenlijk jouw hart?? Waar ben jij nu eigenlijk blij over? En waar kan jij nu eigenlijk om huilen? Wat zijn de dingen die jou nou van binnen bewegen?" Dat maakt Hij bij Jona duidelijk, en dan zegt Jona heel eerlijk: "Dat is die wonderboom, die heeft mij goedgedaan!" Wij hebben zo allemaal onze wonderbomen die ons goed doen. We ergeren ons aan een kras op onze nieuwe auto, of een beetje hogere hypotheek, of lekkage in de kelder, of wat kan er niet allemaal gebeuren waarover we blij zijn, en waarover we huilen? Heb je vakantie, gaat het regenen! enz. enz. Jona zegt: "Ik ben eigenlijk de hele dag bezig met mijn wonderboom! Dat heeft mij heel goed gedaan, heerlijk die schaduw. Waarom hebt U hem weggedaan? Ik ben vertoornd, en terecht vertoornd" Dat zegt hij dan nog wel tegen God. En dan zegt de Here God: "Moet je eens nagaan, die wonderboom heb je cadeau gekregen!

In een nacht kwam hij op, in een dag ging hij neer. Het heeft een seconde geduurd! Moet je dan eens nagaan wat Ik voel! Als daar een hele cultuur bedreigd wordt, als daar een hele stad onder dreigt te gaan. Jij haalt je schouders op en denkt: nou ja, hun zaak, eigen schuld, dikke bult, hun verdiende loon". Over leedvermaak gesproken! Denk hierbij eens terug aan de preek over Obadja, die was zo woedend over leedvermaak. Wordt ons hier niet een spiegel voorgehouden? "Wanneer ge een ander oordeelt, oordeelt ge uzelf", zegt de apostel Paulus. Maar intussen, hier aan het eind gaat het wel diep. Ingepakt in een ongelofelijke mildheid, want let ook eens op de mildheid van God. Hij wordt niet kwaad, Hij zegt niet: Jona, weg met die vent! Nee, Hij blijft met hem aan het werk. Jona, de oudste zoon, die maar niet kan begrijpen hoe het hart van God klopt. En de Here God zegt tegen hem: "Als jij je zo ergert over een wonderboom, dan kun je nu gaan begrijpen waarom Ik bewogen ben over een stad met 120 mensen, doodgewone mensen". -Die stad was ongeveer zo groot dat er 120 mensen woonden.

Er staat ongeletterde mensen, hier worden niet de kinderen mee bedoeld, maar de mensen die niet eens het verschil tussen hun rechter- en hun linkerhand kennen-. "En dan al die dieren die daar leven? En die bij Ninevé's ondergang zouden zijn gedood?" Met die retorische vraag eindigt het boek. Het leidt ons tot het hart van God. God die bewogen is om de mensen die Hij geschapen heeft naar zijn beeld. Hoe ver ze ook van Hem zijn weggezonken. En God die bewogen is over heel de schepping, mens en dier, ze liggen onder zijn ontferming. Onvermoede bewogenheid bij God. En die vraag laat Hij bij ons als het ware zitten: "Kan je begrijpen dat Ik bewogen ben? Zo bewogen om Ninevé?" Daar eindigt dus het boek. Ik vat nog even samen. Ik zei: Jona is het boek waarin God probeert de profeten een spiegel voor te houden. Het is eigenlijk een boek waarin God met drie stappen de bekeerde gelovige bekeert. En we zagen in de eerste plaats dat dat is: doe het volk zijn doop verstaan. Echt begrijpen wat dat betekent is de basis voor alles. En het tweede was: let ook eens op wat God doet in Ninevé! Hij doet vandaag ook ongelooflijke dingen, en we kunnen ervan horen als we ons hart en onze ogen open houden.

In één eeuw een heel volk van Koreanen bereikt met het evangelie, om maar een voorbeeld te noemen. God verandert mensen, inderdaad. En het derde is: Laat uw kille hart bewegen. Als we dat doen eindigt de vlucht. Zou die echt eindigen? We weten het niet. We weten niet wat Jona's reactie is, het staat er niet bij. Het boek eindigt met een open vraag, naar u en naar mij. Een open vraag, en zeggen we ja? Of zeggen we nee? Amen. ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.