Gemeente van Christus, De eerste verzen zijn de kern van het boek van Nahum, een profeet die, zoals het eerste vers vertelt, woonde in Elkos, waarschijnlijk ergens in de buurt van Ninevé. God toonde hem in een visioen de komende ondergang van Ninevé, en Nahum zegt daarbij: "God waakt met jaloezie over zijn eer, in zijn toorn neemt Hij wraak op alle mensen die tegen Hem in opstand komen. De Here vernietigt al Zijn tegenstanders. De Here is erg geduldig, maar zijn kracht blijkt ongelooflijk groot en Hij laat niet ongestraft wie schuldig blijkt te zijn." Als tekst voor de uitleg vanmorgen heb ik het vers gekozen wat daar op volgt, vers 7: "De Here is goed, Hij is een helper in nood, een schuilplaats voor allen die op Hem vertrouwen." Of, zoals het in de vertaling staat van het Nederlands Bijbelgenootschap: "De Here is goed, een sterkte ten dagen der benauwdheid. Hij kent hen, die bij Hem schuilen." Als je dit boek Nahum gaat lezen maakt het je op het eerste oog angstig. "Niet geschikt voor jeugdige kijkers", want het gaat over de gewelddadige ondergang van een wereldstad: Ninevé. Nahum voorspelt dat tot in de kleinste details.
Vrouwen rennen gillend over straat, plunderaars die van het ene huis naar het andere trekken, er liggen stapels lijken, huizen zijn platgebrand, en het is precies zo gebeurd, in het jaar 612 voor Christus. Zouden we dit boek maar niet liever overslaan? We lezen deze weken de kleine profeten, maar zouden we deze maar niet even wegmoffelen? Nee, ik sla het niet over, want er staat één ding in wat zo belangrijk is dat we het allemaal, jong en oud, vandaag van Nahum moeten leren, ook de kinderen. En dat is dit: Als God iets doet wat zeer doet, als Hij straft, als Hij het gericht oefent, -of zoals hier staat: Hij toornt-, dat doet Hij niet gauw, en niet graag. Enkele weken geleden lazen we Jona, die een eeuw voor deze profetie nog zei: "Er is nog een uitweg!" Maar als de Here God geweld gebruikt en gericht oefent -en dat is het hoofdpunt van Nahum-, dan is dat altijd de keerzijde van Zijn liefde. Dat is de les die Nahum ons leert. God drijft ons op de goede weg, soms met straffende hand. En dat is een les die wij maar niet lijken te leren. Want we hoeven nog niet eens geweld van Gods kant te ondergaan, het hoeft alleen nog maar een speldenprikje te zijn, en wat doen wij?
We sputteren tegen en we slaan zijn hand af, of we worden ineens gevuld met wantrouwen, of erger nog: we wijzen Hem af. Daarom moest ik denken aan Job. Als je bij Job leest hoe hij zwaar getroffen wordt, dan is zijn eerste reactie een hele hoop vertwijfeling, en aan het eind zijn tweede reactie toch ook, maar uiteindelijk zegt hij: "De Here heeft gegeven en de Here heeft genomen, de Naam van de Here zij geloofd." En dat is niet bedoeld als een karikatuurvoorstelling, nee, de Schrift houdt ons die houding voor om het geheim van Job te leren. Want dat kan Job zeggen, omdat Hij dwars door alles heen bouwt op dat ene fundament, en dat is de ontferming van God, hij kent God als de God van liefde. De God van de bijbel heeft geen twee gezichten. In Deuteronomium staat: "De Here onze God is Één, ondubbelzinnig." Gods gerichten laten ons iets zien van zijn bewogenheid en zijn liefde. Om in de taal van het boek Openbaring te spreken: "Hij verderft wie de aarde verderven". God is als een chirurg, Hij snijdt ongeneeslijke kankergezwellen weg uit deze aarde. Ninevé was zo'n gezwel geworden en God snijdt het eruit.
En dat is inderdaad niet iets voor kleine kinderen, maar zelfs een klein kind kan begrijpen dat als je een splinter in je vinger hebt die er toch uit moet, ook al doet dat ontzettend zeer. Doe je het niet dan ontsteekt je hele vinger en tenslotte wordt je hele lichaam ziek. Zo lees ik Nahum, het gericht over Ninevé. Daarbij moeten we weten dat Ninevé de hoofdstad was van de vijand van Israël, en bolwerk van vijandschap tegen God. Eigenlijk begint het met een opschrift dat je moet vertalen met 'een brief'. Nahum woonde in Ninevé, hij was waarschijnlijk één van de vroege ballingen die daar al naar toegevoerd was. En, terugdenkende aan de koude oorlog in onze tijd, zou je het opschrift kunnen vertalen met: 'Brief van onze correspondent te Moskou', zoiets moeten we erin voelen. Nahum woonde daar, en hij schrijft: "De Heer heeft mij laten zien: Er is geen redden meer aan, Hij oefent gericht". Zo begint het boek. Maar Hij zegt er direct achter aan: "Maar God is goed!" En daarom heb ik die tekst er uit gelicht, dat is de boodschap van Nahum.
Nadat eerst in zes verzen verteld wordt hoe God straft en gericht oefent, staat er in dat zevende vers ineens: "Maar Hij is goed, en een schuilplaats voor allen die bij Hem schuilen." Het wel opvallend: de bijbel zegt nooit: God is toorn, of God is wraak, of God is naijver, maar de bijbel zegt wel: God is liefde, dat is zijn wezen, al het andere is bijkomstig, dat vloeit uit dat wezen van God voort. Zijn liefde blijkt heilige liefde, en het blijkt straffende liefde en wrekende liefde, maar het is liefde. Dus zegt Nahum: "Daarom is Hij een sterkte ten dage van benauwdheid", en als tweede: "Daarom neemt niemand tevergeefs de toevlucht tot Hem". Dat zijn de twee punten die ik uit Nahum naar voren haal. Ze helpen ons om dat geloof in de liefde van God vol te houden. Punt één: Gods liefde is sterk, en punt twee: Gods liefde stelt nooit teleur. Het eerste punt: Nahum zegt met grote kracht: Die God is onze sterkte. En hij gebruikt daar een woord wat betekent: een bergvesting, een vesting die in een berg is uitgehouwen, waar we een toevlucht naar toe mogen nemen. Wat dus op het eerste gezicht bang maakt, maakt bij nader toezien blij en heel geborgen.
Want als het echt zo is dat God zijn sterkte en zijn toorn en zijn straf totaal ten dienste zet van zijn plan, van zijn liefde, zijn heilsplan, hoe veilig zijn we dan? Een bekende engelse componist en dichter voer in het jaar 1760, dus ruim twee eeuwen geleden, op een passagiersschip van Frankrijk naar Engeland. En halverwege -het was een zeilschip-, stak er een storm op, die uitbrak in een orkaan. De masten braken, de zeilen sloegen aan flarden, de woedende golven braken het schip in tweeën op een rots vlak bij de kust, en de componist wist maar één ding te doen: Hij klemde zich vast aan een stuk wrakhout. En al drijvend onder dat geweld van die orkaan dreigde hij met zijn wrakhout en al tegen een rots aan te pletter geslagen te worden, en hij riep tot God, en terwijl hij zijn ogen dicht deed en dacht: "Nu ga ik", werd hij door een waterstroom meegezogen die hem meetrok in zo'n in de berg uitgehouwen grot. Ineens was daar die inham in de rots waar hij in verdwijnt. En later vertelde hij: "Ineens lag ik daar bij te komen, buiten hoorde ik de storm razen, en daar boven me was die machtige rots, en het was me alsof ik voor het eerst begreep wie God was.
God is als een rots, Hij is ongenaakbaar, je kan op Hem te pletter slaan, maar wie op Hem vertrouwt wordt door dezelfde sterke rots beschermd en omvangen. Nergens in mijn leven heb ik me zo geborgen gevoeld als op dat moment toen die storm raasde en ik daar onverwacht in die grot werd uitgespuugd." En hij schreef een hymne: 'rock of ages. Rock of ages, cleffed for me, let me hyde myzelf in Thee Rots der eeuwen, toevluchtsoord, laat mij schuilen Heer, bij U. Dat is letterlijk een citaat van Nahum. En ik denk dat het ook precies aangeeft wat Nahum zegt. God is als een verpletterende rots, maar Hij heeft daar die holte, die grot waar we in mogen schuilen. Precies hetzelfde wat ons angstig maakt, kan ons ook een ongelooflijk gevoel van veiligheid en van geborgenheid geven. En dat weten we omdat wat God doet gedragen wordt door zijn ontferming: God is liefde. Zijn toorn is de keerzijde van zijn liefde. Dat is het eerste wat Nahum zegt: Schuil bij Hem! En die engelse dichter zei: die grot, die holte in de rots, dat werd voor mij een beeld van hoe God is in het aangezicht van Christus: Wie schuilt bij Hem, vindt een vrede en geborgenheid die alle verstand te boven gaat.
Maar dan het tweede. Als we even weer teruggaan naar Ninevé: al die vrouwen en kinderen dan? En al die dieren? God is toch geen wals die overal overheen gaat? In Jona 4 lazen we, daar eindigt het boek zelfs mee, dat de Here God zegt: "Maar zou Ik dan niet de stad sparen waar meer dan 120 duizend mensen zijn die het onderscheid niet kennen tussen hun rechter- en hun linkerhand, benevens veel vee?" Dat staat over diezelfde stad Ninevé. Ik heb in dat tweede gedeelte van vers 7 een antwoord daarop gehoord. Daar staat: Hij kent allen die bij Hem schuilen. En in Groot Nieuws staat vertaald: wie bij Hem schuilen krijgen nooit te horen: Ik ken je niet. Dat is het tweede punt wat ik van Nahum leer. In de oude taal van de Dordtsche Leerregels gesproken is dat: Het universele aanbod van genade. Nooit en nergens zal er ooit een mens roepen tot God en bij Hem geen gehoor vinden. En daar denk ik dan maar aan als ik denk aan al die kinderen en vrouwen, aan al die mensen vermalen in de raderen van de geschiedenis, alle slachtoffers, alle vluchtelingen, ze stromen tot vandaag in ons land toe. Ik denk zelfs aan al die biggetjes die daar bungelden aan die hijskraan.
Ik leer uit de Schrift, en ook hier uit dit vers van Nahum wat zo plotseling opvlamt midden in zo'n onheilsprofetie, dat heel dit bestaan, met al zijn smart, door de ontferming van God is omvangen. En Hij gaat het ook allemaal weer nieuw maken. En dan komt ook alles weer terug, en dan krijgen mens en dier de plaats die hem toekomt, zoals God het gewild heeft. Maar God is nog niet klaar, Hij is de grote chirurg. Dat proef ik hier allemaal uit het boek Nahum. God is goed, Hij kent wie bij Hem schuilen. En dat kennen van God omvangt alle mensen en alle dieren, alle planten, alle zeeën, we zijn samen met heel Zijn schepping gekenden. Gekend door Hem. En Nahum zegt: "Wie dan ook maar tot Hem komt, God bergt hem op in zijn sterke vesting", en straks in de herschepping tovert God alles weer tevoorschijn: gereinigd, gelouterd en vernieuwd. En daarom: schuil bij Hem. Wij weten meer dan Nahum. Wij kennen God zoals Hij is in het aangezicht van Jezus Christus. Het Nieuwe Testament verkondigt ons het nog veel duidelijker: Alleen wie weigert de liefde van God toe te laten, en dus zichzelf afsluit voor het licht, die maakt iedere redding onmogelijk.
Maar wie bij Hem schuilt, wie ook, nooit zal God zeggen tegen wie echt bij Hem komt schuilen: jou ken Ik niet. En dat belooft alles. Dat belooft toekomst voor alle kinderen, voor alle misleide mensen, voor alle bedrogen mensen, voor al die kleine mensen die door de grootmachten zoals Ninevé verpletterd worden, God kent ze allen en Hij houdt ze in zijn hart omsloten. In Christus is er toekomst voor mens en dier. We hebben het deze zondag opnieuw mogen vieren, bij woord en sacrament. Het gaat door de golven heen, maar we rijzen er uit op, als uit het water van de doop. En we horen nu al wat God straks gaat zeggen: Kom in, en beërf het Koninkrijk van Mijn Vader, dat u bereid is vanaf de grondlegging van de wereld. Dat is de stad van God. Gelukkig zijn er niet alleen steden als Ninevé, er is ook die andere stad, de stad zoals God die bedoeld heeft en die dichter bij is dan wij denken. Wij hebben een sterke stad, een stad met muren en schansen, wij hebben een sterke stad, een stad waar de kinderen dansen en waar men muziek maakt en zingt, een stad door de Heer omringd. (Lied 28). Amen. ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.