Gemeente van Christus, Obadja is de kleinste van de twaalf 'kleine' profeten: 1 hoofdstuk in de hele bijbel. We weten niet veel van hem, maar we weten alleen zeker dat hij leefde in Juda, in de tijd van de verwoesting van Jeruzalem, door koning Nebukadnezar, die toen het volk wegvoerde naar Babel, in 586 voor Christus, het begin van de grote ballingschap. En Obadja heeft deze profetie ontvangen toen de beelden nog op zijn netvlies stonden. Hij heeft het allemaal met eigen ogen gezien, toen Nebukadnezar de stad overviel en plunderde, de mannen doodde en de vrouwen meesleurde, hoe daar het broedervolk Edom, -en daarbij moet je niet vergeten dat de Edomieten de nakomelingen van Ezau, de broer van Jacob, zijn. Dat broedervolk Edom woonde ten Zuidoosten van Juda, van Jeruzalem-, en dat volk stond daar in grote getale en wreef zich in de handen, gniffelde bij wat hier gebeurde. Sterker nog, de enkeling die ontsnapte, werd door hen beroofd van zijn bezittingen en sloegen hem neer. Al die beelden staan nog op het netvlies van Obadja, en dat heeft hem zo diep geraakt, dat heeft hem gekwetst in zijn hart.
En hij roept uit, midden in dat boek, en daarom las ik de vertaling uit Het Boek, want die vertalen het precies goed in dat middengedeelte, dat Obadja zegt: "Dit hadden jullie nooit mogen doen". Dat zegt hij: dit had nooit mogen gebeuren. Zo'n soort verontwaardiging leeft er bij hem. Er zit onderhuids verdriet, zoals bij zoveel mensen die denken: maar dit had toch nooit mogen gebeuren! De vrouwen uit Szebrenica die dat enige tijd geleden in Den Haag hebben uitgeroepen: dit had nooit mogen gebeuren! Zo'n soort verdriet leeft in het boek Obadja. En zo'n soort verdriet leeft er in de harten van heel veel mensen. Zo is het al sinds Abel, ook door zijn broeder gedood. En dat het Edom is die dit doet, dat is eigenlijk wat hem nog het meest steekt. En die verontwaardiging slaat bij Obadja om in woede. Mag dat? Dat is de eerste vraag die dit boek bij ons oproept als we het lezen. Mogen we boosheid zo rechtstreeks uiten? Is een christen niet juist een mens die altijd geneigd is te vergeven en toe te dekken? Dat is de eerste vraag die Obadja ons voorlegt. En dan het tweede. Wat daarna gebeurt is dat Obadja het gericht afroept over al dat onrecht. "Wat u Israël hebt aangedaan", zegt hij.
In vers 2, vers 8, "het komt straks op uw eigen hoofd terug". Vers 2: God zegt: Ik zal u vernederen onder de volkeren, met al je trots, en dan zal Ik al jullie wijsheid teniet doen." Er komt een dag van de Heer tegen al wat hoog is. Dat is het tweede wat ons opvalt in het boek Obadja. Ook hier hebben we onze vragen. Vragen over: is dit toch eigenlijk niet erg oudtestamentisch? Is de God van het oude testament toch niet anders dan Die van het nieuwe? Gerichtsaankondiging, en dat zo diep, en uit de mond van God? Moeten we dit overslaan? Gewoon Obadja links laten liggen? Of toch luisteren? Luisteren en leren en ons laten gezeggen? Dat is het tweede. En het derde dat ons treft in dit boek, dat ook hierdoor een gouden draad loopt. Zo kun je dat noemen. Het is alsof Obadja midden in dit boek, midden in zijn toorn en zijn woede en zijn vlammende gerichtswoorden dan toch maar ineens tot twee keer toe als het ware boven zichzelf uitwijst, en dan zegt: "Maar op Sion is ontkoming." Dat staat midden in het boek, en hij eindigt met de woorden: "De Heer zelf zal als Koning regeren", en dan komt er dat prachtige woord: richten. Daar eindigt het boek.
Je merkt dat hij als het ware aan het eind pas tot rust komt en vrede kent. Maar ook dat laatste deel stelt ons voor vragen. Wat wordt er bedoeld met Sion? En hoe werkt dat dan vandaag? Heeft dat vandaag nog iets te zeggen, en wat betekent dat koningschap wat we verwachten? Zo roepen alledrie momenten van Obadja bij ons vragen op. Eerst hebben we de vraag over die verontwaardiging van Obadja. Hij is verontwaardigd, er zijn twee dingen die hem diep hebben getroffen. Het eerste is hoogmoed en het tweede is leedvermaak. Die twee dingen staan in Obadja centraal. De eerste acht verzen gaan over de hoogmoed van Edom, en de tweede over hun leedvermaak. De eerste over hoogmoed. Ze hebben zich daar hoog in de rotsen opgetrokken, en bluffen bij zichzelf: wie zou ons ooit kunnen bereiken? Eigenlijk is hier tegelijk in beelden prachtig aangegeven wat hoogmoed nu eigenlijk is. Hoogmoed is eigenlijk dit: dat wij ons voor mensen onkwetsbaar maken. Wat Edom uitstraalt: ik ben sterk, wij zijn wijs. Edom stond bekend om zijn wijze mannen, de intelligentsia van die regio zat in Edom. Je kunt het vandaag nog zien in de rotsstad Petra: een hele stad in de rots uitgehouwen.
Maar Obadja proeft wat daarachter zit. De diepe wens zich totaal onkwetsbaar te maken: "niemand kan meer met mij concurreren, ik zit hier in mijn ivoren toren, en wij zijn safe". Ik vind dat West Europa wel iets gehad heeft, en nog heeft van Edom. Wij met onze wapendepots, wij met onze diepe drang om de wereld te regeren, te beheersen. En altijd meer en beter. Dat is toch wat een Europeaan kenmerkt: Economie moet groeien. Dat is een dogma, daar valt niet aan te wringen. Schiphol moet groter. Er moet meer ruimte komen voor het verkeer. Ruimtevaart moet ontwikkeld worden. Ik ben best voor vooruitgang, maar als ik Obadja hoor over Edom, dan slaat mij de schrik om het hart. Edom zei: "Wie kan mij wat? Ik ben onaantastbaar, nu ben ik veilig. Nu kan niemand nog met mij concurreren. Nu beheersen we vanaf onze hoge torens de wereld". Ja dat is Edom. En dan die scherpe woorden van Obadja er tegen in. Eigenlijk verontwaardiging, gericht op die hoogmoedige Edomieten, vooral als hij ziet waar dat toe leidt. Dat is vers 11-14, dat is die verontwaardiging over dat wat ze daardoor mensen aandoen. Want daar zit zijn diepste verontwaardiging. Merkwaardig, Nebukadnezar wordt niet eens genoemd.
Het lijkt alsof het toch zoiets is van wie in een eerlijke, regelrechte strijd de ander geweld aandoet, dat is erg, maar nog veel erger is dat wat hier gebeurde. Dat terwijl die slag plaatsvond stonden daar ineens die zelfrechtvaardige Edomieten en wezen hen met de vinger na, en zeiden: "Zie je wel? Dat krijg je er nu van. Eigen schuld, dikke bult." Israël en Juda en Jeruzalem, ze weten van zichzelf best wel dat ze geen lieverdjes zijn. En als God ze een les leert, dan is Obadja bereid om dat aan te pakken. Maar als er dan de pijn is van de slag, en anderen gniffelen, en het is nog wel je eigen broeders die zeggen 'net goed, verdiende loon', ja, dan wordt Obadja razend en dan zegt hij: "Dat had nu nooit mogen gebeuren. Leedvermaak is niet dat je de ander een wond aanbrengt, maar dat is in de wond die een ander heeft aangebracht zout wrijft. Dat is leedvermaak. Als je er over gniffelt en zegt: "Net goed, verdiende loon." En zulke dingen gaan diep. Wij zijn kwetsbare mensen, en als zulke dingen in ons leven gebeurd zijn, dan levert dat trauma's op. Veel mensen leven met zulke trauma's. Van familieleden die hen bezeerd of op hun hart getrapt hebben, bespot of veracht of vernederd.
Dat zal je maar gebeuren, dicht bij huis. Dan is het gevaar inderdaad heel groot dat je er ziek van wordt. Naar twee kanten toe kan je ontsporen. Dat leer ik van Obadja. Je kan het verdringen en je kan wraak nemen. Dat zijn twee verkeerde wegen, twee wegen die tot onheil voeren. Verdringen is geen weg, dat kan je hier leren van Obadja. Ten onrechte denken juist vrome mensen vaak dat ze hun kwaadheid moeten verdringen. Dat is niet de weg van Obadja, maar ook niet de weg van Jezus, die de geldwisselaars uit de tempel wegranselde met zijn zweep. Ook niet de weg van Paulus, die gezegd heeft: "Geef toorn een plaats, laat het toe, deel het met anderen, breng het tot uitdrukking!" Maar aan de andere kant, wie het recht in eigen hand neemt, dat is die andere weg, en kwaad met kwaad vergeldt, die maakt de ellende alleen nog maar groter. "Laat de zon niet over een opwelling van uw toorn ondergaan," dat zegt de apostel Paulus ook. Dat wil zeggen: geef er aan toe, maar houdt het in de hand, en richt je oog op de zaak waar het om gaat. Val niet in de fout van de tegenstander door hem terug te betalen met zijn eigen wapens. Neem het niet in eigen hand.
Dat is vooral wat me getroffen heeft bij Obadja, en dat leidt me ook tot dat tweede punt. Je ziet dat Obadja met alles wat in hem opkomt toch eigenlijk steeds ging en gaat naar God. Hij luistert naar wat de Heer hem zelf hierover te zeggen heeft. En inderdaad, dan komen bijzondere dingen naar voren. Het tweede punt van Obadja's profetie: Wat hoort hij dan als hij zo met alles wat er in hem is naar God gaat? Alleen maar sussende woordjes? Lieve woordjes, van: Vergeet het nu maar, of vergeef het nu maar? Of: trek je er niets van aan? Of: je moet je er boven verheffen? Al zulke dooddoeners, niets van dat alles. Het eerste wat Obadja hoort is dat God er net zo kwaad over is als hij. Dat vind ik heel bijzonder. God is net zo kwaad als Obadja, misschien nog wel meer. Want dat is de achtergrond achter al die gerichtswoorden. De God van de Bijbel is een heilige God, en die God kan trots en arrogantie en leedvermaak niet uitstaan. Hij kan het niet aanvaarden. C.S. Lewis zegt het in zijn kinderverhalen: Hij is wel een leeuw, maar Hij is geen tamme leeuw! Er zit in de geschiedenis een stuk vergelding. En vergelding die op God terug gaat.
Als Hitler en zijn vrouw Eva zich met ampul vergiftigen, -een ampul met vergif, moet je nagaan, we kennen de voorgeschiedenis-, in hun tuin achter het berlijnse overheidsgebouw, 1945, dan zie ik daarin goddelijke vergelding. En als Edom later als volk verdwijnt, en ondergaat in het grotere geheel van de Arabieren, wat gebeurd is, dan zit daar iets in van goddelijke vergelding. God is een heilig God, dat betekent dat Hij zelf nog meer dan wij gekwetst en verontwaardigd is als mensen van hun waarde worden beroofd. Want dat is natuurlijk verontwaardiging. Bij God kan dat niet. Een steek onder water, leedvermaak, vernedering, wraak, en dan nog wel bij de ene broeder tegenover de ander, zoals Edom dat deed, en zoals Kaïn dat al gedaan had, en zoals de schriftgeleerden deden aan de voet van het kruis. En zoals dat nu nog steeds gebeurd, er zijn zoveel slachtoffers, we leven in een totaal abnormale wereld. En dat leert ons Obadja, en hij zegt: God staat aan de kant van de slachtoffers, en Hij neemt het ook niet! Want Hij is een heilige God.
Als dat het laatste woord was van Obadja dan zouden we toch eigenlijk allemaal voor de bijl gaan, want u kunt wel kijken naar uw eigen wonden, en we kunnen natuurlijk snel met onze vinger wijzen naar Edom, en in onze tijd naar die kinderkiller in België, of naar de paparazzi die een stervende vrouw gingen fotograferen, dat was het enige waar ze in geïnteresseerd waren. Maar we moeten natuurlijk erkennen dat die paparazzi in ieder van ons zit! Want wij kopen de foto's, wij zijn nieuwsgierig en wij laten ons overvallen door dat zalige gevoel van binnen van: wat een geluk dat dat mij niet is overkomen! Kaïn, zegt de bijbel, zit in ieder van ons. En Edom, ik zei het al, staat eigenlijk model voor de volkerenwereld, voor heel Europa, voor alle volkeren. En als het alleen zou gaan naar recht en gerechtigheid, dan zouden we allemaal omkomen. En daarom ben ik door Obadja aan de ene kant verontrust, maar aan de andere kant ben ik ook met name door die gouden draad door Obadja heen toch ook weer bemoedigd, en eigenlijk vertroost. Want hij zet het er dan toch maar weer in, die Obadja.
Midden in zijn boek staat er: "Maar op Sion is ontkoming." En in het laatst van het boek komt weer dat woord 'richten'. En dar staat: "Straks komen de geredden op de berg Sion, om vandaar heel het gebergte van Ezau te richten, en dan zal de Here Koning zijn over alle volkeren." Daar eindigt zijn boek. Dat noemde ik die gouden draad. Eigenlijk hebben alle kleine profeten, en ook Obadja, een heel diep zeker weten dat er straks iets zal gebeuren dat een bron van genezing zal openen voor alle volkeren. Even repeteren: dat zag Joël: jongelingen zullen dromen dromen; en dat zag Amos: hij eindigde met die profetie over die vervallen hut van het huis van David, en dan zou er heil komen voor de volkeren. Ezechiël ziet het letterlijk: als en stroom van levend water die ontspringt aan de tempelpoort en van daaruit zelfs het water van de Dode Zee geneest: "Ik zal een keer brengen in het lot van Sodom en Gomorra". Wist u dat dat in de bijbel staat? Ezechiël 16: 53. Zover reikt die genezende kracht, en dat gaat van Sion uit. Van waar de tempel staat, waar al het heil van God gebeurt. De plaats waar Jezus gekruisigd is, op de berg Sion.
Waar Hij alle leedvermaak van de wereld over zich heen kreeg, en zo eigenlijk tot een pijn maakte in het hart van God, om daarna op te staan uit de doden, en te verkondigen: voor ieder mens en voor ieder volk is er gerechtigheid en is er genezing. Dat is het evangelie. Dat is de gouden draad die ik ook door het boek Obadja zie lopen. Het is niet het eerste, want dat is bij Obadja verontwaardiging. En het is ook niet het tweede, want dat is gericht, huiveringwekkend. Maar het is wel het derde en het laatste woord van Obadja. Op Sion zal ontkoming zijn en dan zal de Heer regeren. Sion is eigenlijk Jezus Christus. En niemand die bij Hem schuilt zal beschaamd uitkomen. Het Lam van God dat de zonden van de hele wereld heeft weggedragen. Vanuit Sion ziet Obadja dan ook een optreden van rechters. Heel opvallend. Aan het slot, dat woord, daar staat in het hebreeuws eigenlijk: er zullen vele Mozessen optrekken naar Sion en van daaruit de volkeren richten. Mozessen, staat er, dat betekent ook: gered, uit het water getrokken. Maar dat dat woord daar staat: dan zullen ze gaan naar die verwaten bergtoppen van Ezau en dan zullen ze daar richten.
Een universeel beeld, dat heil belooft uit alle volkeren uit Kaïn en Ezau gesproten. Ze zullen hen richten. Er komt een heilstijd waarin wat krom is wordt rechtgebogen. En dat wat goddeloos is wordt uitgebrand, en dat God weer opricht wat Zijn bedoeling was met de schepping. Want richten betekent eigenlijk: rechtzetten. In de bijbel is een rechter een rechtzetter en hij komt uit Sion. Zo zal de Heer regeren, zijn koningschap staat vast. Daar begonnen we de dienst mee, en daar eindigen we hem ook. We leven de wederkomst tegemoet. En zo komt eigenlijk Obadja aan het eind van zijn boek tot rust. Hij vindt zijn diepste vrede in het weten dat uiteindelijk alles rust in de hand van God. Hij regeert. En Hij heeft een stroom van genezing geopend op Sion. Geloof in Jezus Christus en je krijgt er deel aan. Dat is eigenlijk de boodschap van Obadja. En die genade breekt straks wereldwijd door. Als de Here komt, en door zijn heiliging de wereld zal regeren, dan wordt de roep van de zielen onder het altaar gehoord.
En ze worden koningen en priesters, en ze zullen als Mozessen, nieuwe Mozessen, verlossers, redders, in een wereld binnentrekken die kromgegroeid is, en ze zullen daar de volkerenwereld heil brengen. Wie daarin gelooft, die kan zijn woede loslaten, en die vindt vrede, ondanks alle pijn. Amen. ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.