Preek 2 van 5 uit de serie Heidelbergse Catechismus, Zondag 1-4
zondag 28 januari 1996 · Wim Rietkerk

Jezus. Verkondiging: Gemeente van Christus, In zondag 2 van de catechismus gaat het eigenlijk over iets heel moderns. Namelijk: Voordat je het goede medicijn gaat gebruiken, moet je wel eerst de goede diagnose gesteld hebben. Verkondiging: In zondag 1 ging het over 'het grote medicijn'. Want Jezus Christus is Gods geneesmiddel, zou je kunnen zeggen. God heeft deze gebroken en gevallen mensheid een geneesmiddel gegeven en dat is Jezus, de Heiland der wereld. En zondag 1 zegt: Wij zijn door Hem gered. Dat is de kern van de zaak. U kent dat teken wel, zo'n vuist met een vinger omhoog, met daaronder de tekst dat Jezus de weg en het antwoord is. En zo is het ook, maar zondag 2 vraagt terecht: "Wat heb ik nu aan die boodschap als ik niet weet op welke vraag Jezus het antwoord is?" Of om het iets zwaarder te zeggen: "Jezus is de redder, maar uit welke nood heeft Hij ons dan gered?" Want als je natuurlijk niet weet waar Jezus je uit gered heeft, hoe kun je je er dan ooit over verheugen dat je gered bent? Waarvan heeft de Here Jezus ons gered? Of om nog even dat medische beeld wat ik net gebruikte aan te houden: Ja, Jezus is het hemels medicijn voor onze dodelijke ziekte.

Maar over welke dodelijke ziekte hebben we het dan? Is Jezus het medicijn voor iedere ziekte, moeten we bij alle nood en alle kwalen en problemen gewoon zeggen: Jezus is het antwoord? U ziet, hier liggen veel vragen. De catechismus geeft hierop een raak antwoord, die zegt: Nee, je moet eerst de goede diagnose stellen. Om echt te weten wat dat betekent, moet je eerst weten -zoals de catechismus dan zegt- wat je ellende is. En dan hoe God ons daaruit bevrijdt. Ik moest daarbij direct denken aan dat verhaal uit Lucas 5. Daar kwamen die mannen en brachten hun verlamde vriend bij Jezus, ze hadden het grootste vertrouwen dat Hij uit die nood zou kunnen redden, en als die verlamde voor de voeten van Jezus is neergelaten vanaf het dak, dan is daar die bijzondere reactie van Jezus die zegt: "Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven!" En iedereen denkt: "Maar daar kwam die man toch helemaal niet voor? Hij kwam voor genezing van zijn verlamde benen en Jezus geeft hem vergeving van zonden! Hoe kan dat nu?" Iedereen staat er wat verlegen bij te kijken en zo'n soort verlegenheid overvalt ons ook als we de catechismus beginnen te lezen.

Eerst zo'n bijzonder begin: zondag 1: de enige troost, Jezus is de bevrijder en de redder en de bewaarder. En dan, als wij bij wijze van spreken allemaal door het open dak aan zijn voeten onze problemen neerleggen, en zeggen: "Heer help me, ik ben werkeloos! Heer help me, ik ben ziek! Heer help me, ik ben eenzaam! Heer help mijn vriend, want hij heeft verdriet! Help de mensen die bij Fokker werken! Help mijn moeder, want ze is stervende!", dan valt er een stilte. En dan komt er maar een antwoord: "Mijn kind uw zonden zijn u vergeven!" Dat zegt de Here Jezus natuurlijk niet zomaar, en ook niet uit onmacht. Vaak denken we dat dan toch weer heimelijk, want we hebben zo'n diep ingeboren wantrouwen tegen Hem, dat Hij niet kan helpen. Hij trekt zich veilig terug in het geestelijke, denken we dan. Alsof Hij met die concrete aardse materiele dingen niks kan. Maar dat is natuurlijk niet zo, daar kom ik later nadrukkelijk op terug. We moeten dat anders zien. Het is zo dat Jezus zegt: "Er moet eerst iets anders gebeuren om effectief te kunnen helpen." Hij heeft als een knappe dokter met een oogopslag het probleem gezien achter het probleem.

Hij heeft gezien welke diepe ziekte er schuil gaat in de mensheid en daar gaat Hij op in. Eerst moet de goede diagnose gesteld zijn en pas dan komt de juiste therapie. Zo pakt Hij onze nood bij de wortel aan. Ik denk nog even aan de lamme man, die ze daar bij Jezus brengen. Er moet toch ook een reden zijn dat Jezus dat bij hem speciaal zo deed? Ik voel wel wat voor die uitleggers die zeggen: "Waarschijnlijk is die man verlamd geraakt omdat hij een geslachtsziekte had." Zoiets als aids. Hij was kriskras met vrouwen naar bed gegaan en toen had hij een geslachtsziekte opgelopen en in een verder stadium had dat de man verlamd. Dat gebeurt bij sommige van die ziekten. En wat doet dan de Here Jezus? Hij spreekt hem aan op zijn diepste nood, namelijk dat hij zich zo ontzaglijk schuldig gevoeld heeft! Daar stoot Jezus dan eerst naar door als Hij zegt: "Mijn zoon, je zonden zijn je vergeven. Ik mag in de naam van God vergeven! Ga heen in vrede." Toch trekt de catechismus dat antwoord, die diagnose, nog veel breder.

De catechismus verbindt hier een paar conclusies aan en zegt: "Ook als we niet direct van gevolg en oorzaak kunnen spreken, dan geldt het nog dat er voorgrondsproblemen zijn en een wortelprobleem, een achtergrondsprobleem." Nee, de catechismus zegt niet dat iedere ziekte, iedere ramp teruggaat op een door die mens bedreven zonde. Dat zegt de bijbel ook niet. U weet dat de Here Jezus daar de discipelen eens op heeft aangesproken, in die geschiedenis van de blindgeborene. Toen zeiden de discipelen, toen ze hem zagen zitten: "Dat komt omdat hij gezondigd heeft! Hij heeft gezondigd, of zijn ouders misschien, toen hij nog in de moederschoot was." En toen moest Jezus ze terechtwijzen.

En Hij heeft gezegd: "Noch hij heeft gezondigd, noch zijn ouders." En toch vraagt hier de catechismus, en dat doet ze in naspreken van de Schrift: "Waaruit kent gij nu uw diepste ellende?" En ze antwoordt: "Die ken ik uit de wet van God." Er zijn voorgrondsproblemen, die kennen we uit de krant en uit het nieuws, en uit de dagelijkse praktijk, maar, zegt de catechismus: "Let op, er is ook een achtergrondsprobleem!" Er zijn duizend-en- een voorgrondsproblemen, je zou kunnen zeggen: dat zijn de symptomen van een diepere, daarachter liggende nood. En de verhouding tussen die achterliggende nood en de voorgrond is er niet altijd een van direct gevolg en oorzaak, het is soms indirect. We lijden aan een gebroken wereld, en dat gaat terug naar ergens in dat oerverleden waar foute beslissingen zijn gemaakt. Door de mens. Zo zegt de catechismus dat. En ze gaat ook verder, ze zegt: "We kennen dus onze eigenlijke ellende niet uit de krant of van de televisie, of uit het ziekenhuis of de gevangenis. Daar zien we een hoop ellende, maar de eigenlijke ellende zien we toch pas als we kijken in de spiegel van de wet van God. En daar vertelt de apostel Paulus heel veel over in de Romeinenbrief.

Hij zegt bijvoorbeeld: "Ik zou nooit geweten hebben wat zonde is, en wat er dus ten diepste bij mij fout zit, als ik niet de wet had leren kennen! Zolang ik de wet nog niet kende, leefde ik er vrolijk op los, maar toen kwam het gebod, en toen tot mij door begon te dringen wat God eigenlijk van mij verwachtte, toen begon dat gebod te leven, maar ik ging eraan dood!" En dan geeft hij een voorbeeld, het tiende gebod: Gij zult niet begeren. Hij zegt: "Als de wet dat niet gezegd had, dat je niet mag begeren, had ik het nooit geweten. Dat ik, zelfs als ik alleen maar verlang naar dat wat mijn naaste heeft zelf te bezitten, dat ik zelfs dan al het gebod overtreed. Toen ik dat begon in te zien ging ik eraan kapot." De catechismus brengt dat heel dicht bij ons door al die geboden samen te vatten in het liefdegebod. Moet je nagaan, ik kan keurig alle geboden houden, -denk maar aan die rijke jongeling: niet vloeken, niet stelen, niet liegen-, en toch kan ik met al mijn fijne wetsonderhouding nog het wezenlijke missen, doordat ik het niet uit liefde doe. En daarom geeft de catechismus die samenvatting.

Die schrijft ze over uit de mond van Jezus, die gezegd heeft: "Eigenlijk vervul je al die geboden met dat ene werkwoord: liefhebben." En dat is nou net het enige dat we niet doen. We zijn heel ijverig, we rennen, we jagen, we praten, we handelen en uitgerekend dat ene dat we niet doen dat wil God! We doen duizend dingen, maar dat ene geven we niet. De apostel Paulus zegt: "Al sprak ik tongentaal, in de taal van engelen, en al had ik al het geloof zodat ik bergen verzette, en wist ik alle dingen, al gaf ik mijn lichaam om te worden verbrand, maar ik had de liefde niet, ik ware niets, ik had toch nog alles gemist." Dat brengt Paulus tot die wanhopige uitspraak: "Ik, ellendig mens". De wortel van alle ellende is de onwil om lief te hebben. De weigering om in alle omstandigheden van het leven, ook als de golven hoog slaan, en ons schip heen en weer gaat op die golven, om dat dan te ankeren in de trouwe, nooit wankelende liefde van God. Want dat is de opdracht. Continu vallen we terug op ons basiswantrouwen, want zo zou ik willen omschrijven wat de catechismus tenslotte haat noemt. "Wij zijn van nature geneigd God en onze naaste te haten", zegt de catechismus.

Dus eigenlijk die liefde te onthouden en toch weer terug te vallen in dat basiswantrouwen. Nu, Jezus is gekomen om ons daarvan te genezen. Dat is eigenlijk de boodschap van Lucas 5, en ook van Paulus. Als hij gezegd heeft: "Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam dat in de greep van de dood is?", dan antwoordt hij zelf: "God zij dank, Jezus Christus. God heeft ons het liefste gegeven wat Hij had, tot in de bitterste dood aan het kruis toe, en dat is zijn medicijn om ons te verlossen van dat basiswantrouwen." Om onze rebellie te doorbreken, om de haat te veranderen, en zelfs als het bitterste lot mij treft, heb ik nu nog een basis die onschokbaar is, en dat is Golgotha. Dat wil de catechismus ons in zondag 2 nog eens inprenten. Ik kom nog even terug op waar ik mee begon. Ik zei: De catechismus is heel modern. Ze zegt: Zeker, Jezus is het antwoord, maar we moeten wel weten op welke vraag! Zeker, Hij is hemels medicijn, maar we moeten wel weten op welke ziekte! Kijk maar naar die verlamde man, hij zocht genezing voor zijn lamme benen, maar Jezus keek dieper, en hij kreeg vergeving van zijn zonden. Toen zei ik: Lijkt dat eerst toch niet op een soort vlucht?

Een soort van je terugtrekken in het geestelijke? Het zichtbare blijft kapot, maar in het onzichtbare wordt genezing gegeven? Karl Marx noemde dat: Pie in the sky. Luchtkastelen. Ik kan de vraag ook anders stellen: "Hoe relevant is zondevergeving? Wat heb ik er nu aan als er in de diepte genezing is, maar op de voorgrond wordt niks zichtbaar? Eigenlijk gemakkelijk!" En dat is nu precies wat de omstanders ook dachten: "Wat heeft die man nu aan schuldvergeving? Nogal aanmatigend!", dat zeiden dan de vromen, de Farizeeen. En de anderen, die niet zo vroom waren, zeiden: "Nogal makkelijk!" Want daar zinspeelt Jezus op in vers 23 als Hij zegt: "Wat overlegt ge nu in uw hart? Wat is gemakkelijker te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven?, of: Man, sta op en wandel?" Want Hij ziet ze denken: "Dat is veel makkelijker, zonden vergeven!" En dan zegt Jezus: "Maar om u te laten zien dat de Zoon des mensen de macht heeft om zonden te vergeven", en dan tegen de verlamde: "Sta op en wandel!" Hij geeft dat andere nog bovendien. Dat is de boodschap! De genezing van het lichaam dient in het evangelie als bewijs van de genezing van de ziel. En die twee horen bij elkaar.

Het herstel van de buitenkant, een paar lamme benen, dient als teken van de verzoening aan de binnenkant. En die twee mogen we nooit losmaken. Denk dus niet dat de Here Jezus niet bewogen was over die voorgrondsnoden, waar we iedere dag onder lijden, en waar Hij ook onder leed, waar Hij zich mee inliet, Hij ziet ze en Hij werkt eraan, maar Hij heeft wel en plan, en dat is het plan van de verzoening. Eerst verzoening, en dan genezing, dat zien we hier ook. En daarom mogen we de Here Jezus ook aanroepen om onze lamme benen, om onze werkloosheid, om onze gebroken relaties, om wat ook. Uiteindelijk zal Hij ook die gebrokenheid totaal herstellen. En Hij zal niet rusten voordat zelfs die hele gevallen en gebroken wereld is rechtgezet. Maar Hij begint wel bij de kern, je zou kunnen zeggen de ontsteking die de oorzaak is van alle koorts. En pas als die is weggenomen dan komt de rest. En hier en nu zien we dat al in tekenen oplichten. Jezus richtte tekenen op. Wij mogen daarom ook de Here concreet voor genezing bidden, en voor uitredding. Lichamelijke genezing, psychische genezing. We mogen Hem bidden voor werk, vriendschap, voor brood, een huis, voor dat waar onze nood ligt.

En soms licht hier en nu al iets op van die totale genezing die Hij straks en daar belooft. Maar de prioriteit ligt bij de verzoening, bij het herstelde vertrouwen en de nieuwe mens die we in Christus al mogen zijn. Eerst zijn er de tijden van verzoening, en dan is er, bij Jezus wederkomst, totale vernieuwing. Dat noemt de bijbel: De wederoprichting van alle dingen. Zo werkt nu eenmaal de redding van Christus, van de kern uit naar de buitenkant. Amen. Terug naar de verkondiging. Voor reakties: stuur een email naar Wim Rietkerk Meer info over de Nederlands Gereformeerde Kerk van Utrecht op Internet: gjkole@knoware.nl