Gemeente van Christus, Er wordt verteld dat er eeuwen geleden toen Boeddha nog leefde een vrouw tot hem de toevlucht nam. Het verhaal staat bekend als: De oude moeder en het mosterdzaadje. Ik heb het van J.H. Bavinck. Die moeder trof iets verschrikkelijks: Haar enige zoon stierf. Zij was als arme vrouw getrouwd met een man uit een hogere kaste en werd daarom door heel de familie behandeld als een slavin. Tot zij een zoon baarde: op dat moment werd zij als moeder van die zoon gerespecteerd en geeerd. Maar toen stierf die zoon, in een dag was hij weg, en de moeder liep met luide jammerklachten rond in het dorp: "Wie kan mij helpen? Mijn kind is dood!!" Toevallig bracht net Boeddha een bezoek aan het dorp en hij hoorde de vrouw en zag haar aan en zei: "Vrouw, je hebt er goed aan gedaan bij mij hulp te zoeken. Ga heen, ga alle huizen langs en als je bij een huis komt waar nog nooit iemand gestorven is, vraag dan om vijf mosterdzaadjes. Neem die mee en kom dan bij mij terug." De vrouw schepte moed en ging heen, maar hoe zij ook zocht en bij welk huis ze ook aanklopte, er was geen huis te vinden waar niemand gestorven was. De dood had bij alle deuren aangeklopt.
Toen begon de vrouw te begrijpen wat Boeddha bedoeld had en zij droeg haar kind naar buiten, waar hij verbrand zou worden. En ze zei bij het afscheid: "Nu weet ik dat dit alle mensen overkomt en dat er geen huis is waar niet is geweend." En er overviel haar een diepe troost en ze werd leerling van Boeddha, die zei: "Heel het leven is lijden: geboren worden, opgroeien, kinderen krijgen, oud worden, sterven. Het leven is lijden en op het moment dat ik begrijp dat dit niet persoonlijk bedoeld is maar dat ik mijn persoon er juist in los moet laten, is de troost een feit." Dat is de troost van Boeddha. Hoe anders zijn wij westerlingen. Want het enige voorbeeld dat ik kon bedenken bij de troost die westerlingen zoeken was de oude verbanddoos van mijn vader, waarop een man stond, een misdadiger aan de schandpaal met zijn hoofd in het blok, en iemand reikte hem een pijp met tabak van Van Rossum, het gezicht straalde op: Van Rossums troost. Ik neem dat toch wel serieuzer dan het bedoeld is, want inderdaad, zo gaan wij westerlingen om met de pijn van het bestaan, wij proberen te repareren, en als dat niet lukt vluchten wij er uit weg in genotmiddelen.
Wij zoeken verstrooiing als de werkelijkheid zeer doet: consumptie, luxe, vakantie, of sterker nog: drugs, drank, roes en house moeten helpen om de werkelijkheid te ontvluchten. Zo kiezen het Oosten en het Westen ieder zijn eigen weg: het Oosten berust en verzinkt erin, het Westen vlucht en loopt er voor weg. Het is wel opvallend hoe actueel de Heidelbergse Catechismus is als zij, heel scherp in contrast met Oost en West, de derde weg laat zien, die ook in een eenvoudige zin te benoemen is, namelijk: Je in de golven van het soms keiharde leven vastgehouden weten. Net als Noach, door wie de Here de zonen van Seth troostte (Genesis 5: 29). Dat is de eerste keer dat het woord troost in de bijbel voorkomt, als Lamech zijn zoon de naam Noach geeft, zeggende: Deze zal ons troosten over de moeitevolle arbeid onzer handen op deze aardbodem die de Here vervloekt heeft. Hij troostte de mensen door de ark te bouwen. De ark is de plaats waar wij samen met de vogels en dieren temidden van de woeste golven gedragen worden. En die ark, dat is Jezus voor ons, dat is de derde weg. Zoals wij op het kerstfeest zingen: Zo is Hij de volkeren komen troosten.
Waar ik nu vanmorgen in het bijzonder bij stil wil staan is de bijzondere wending in deze eerste zondag van de Heidelbergse Catechismus. Het is al heel bijzonder dat de catechismus zo inzet, bij deze vragen: Waar ligt mijn laatste houvast in de pijn van het leven? Maar ik vind het antwoord wat daarna komt nog veel specialer. De verrassing ervan zal velen ontgaan omdat zij deze zondag 1 al sinds hun jeugd uit het hoofd kennen, maar ik zal proberen om eens even bij wijze van contrast te laten voelen hoe bijzonder dit antwoord is. De catechismus zegt namelijk niet: Uw enige troost ligt in wat u gelooft, maar: in wat er over u geloofd wordt; en: Uw enige troost ligt niet in wat u bezit, maar in het feit dat een ander u bezit; en Uw enige troost ligt niet in wat u denkt, maar daarin dat er aan u gedacht wordt! Zo kan ik eindeloos doorgaan: uw troost is niet dat u God kent, maar dat God u kent. Uw troost is niet dat u Jezus hebt - denk maar aan al die liederen die natuurlijk heel goed bedoeld zijn: Als ik Hem mag kennen, Hem de mijne weet-. Nee, zegt de catechismus, dat moet je omdraaien: Uw troost is niet dat Hij de uwe is, maar dat u de Zijne bent.
Dat noem ik nu de wondere wending in de Heidelbergse catechismus en daarmee stoot zij direct in zondag 1 door naar de kern in het evangelie. Want hoe vaak blijven wij niet tobben omdat deze beslissende ommekeer voor onze ogen en ons hart gesloten bleef? Met al onze goede bedoelingen, met al ons brave naar-de-kerk-gaan, bijbellezen, bidden enz, met al ons vroom geloof, bleef het toch uiteindelijk krampachtig, want wij zagen onze troost of onze houvast in ons geloof, in wat wij bezitten, in onze kennis van de waarheid, of ons vertrouwen op God. De catechismus slaat ons hier in zondag 1 alles uit handen door te zeggen: Dit is je enige troost: niet dat jij Christus bezit, maar dat Hij jou bezit; dit is je enige troost: niet dat jij Hem, maar dat Hij jou vasthoudt, niet dat jij in Hem gelooft, maar dat Hij in jou gelooft; niet dat jij Hem kent, hoe mooi ook, maar dat jij door Hem gekend bent! Zo spreekt ook de Schrift, ik denk aan de apostel Paulus die in 1 Korinthiers 8 zegt: ""De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.
Wie zegt: ik ken Hem, heeft nog niet leren kennen zoals hij behoort te kennen want de ware kennis is dit, dat wij door Hem gekend zijn." Ik zal u een voorbeeld geven. Stel dat een jongen verliefd is op een meisje. Hij ziet haar, vindt haar leuk, hij droomt van haar, hij is steeds met haar bezig. Maar wat is in dit alles nu het enige waar hij echt blij mee is? Niet dat hij op haar verliefd is, maar of zij het ook is op hem! Dat is waar het om draait, en dat is het wat de Schrift zo'n kostbaar boek maakt, want dat bezingen ons de Schriften -denk aan Ezechiel 16- "Zo werd u de Mijne!" Dat is de kern waar de schriftlezing in uitmondde: Israel vergeleken met een ongewenst Bedoeinenkindje: niet gewenst, niet gewild, de wereld had aan haar - want het zal wel een meisje geweest zijn- geen behoefte, het wordt zomaar weggeworpen langs de weg. En toen kwam de Here voorbij. Nu, dat mag u op gezag van Christus ook als het geheim van uw leven leren zien. Zoals wij nu hier zitten, wij zijn allemaal door de aarde voortgebracht, kinderen van Adam, en wij liggen langs de weg van het bestaan terneergeworpen in ongeborgenheid, in ziekte, in eenzaamheid, in stress, in faalangst.
Maar toen kwam de Here voorbij in Zijn ontferming, en Hij heeft ons aangeraakt en ons aangesproken, en ons kleren gegeven en voedsel, en toen wij oud genoeg waren: toen ging Hij een verbond met ons aan. Zo werd u, zo werden wij van Hem. Proeft u het verschil? Niet: Zo werd Hij van mij, maar: Zo werd ik van Hem. Wat is uw enige troost beide in leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel beide in leven en sterven het eigendom ben niet van mijzelf, maar van Jezus Christus. Want heel het werk van de Here Jezus is daarop nu juist gericht geweest om ons vrij te kopen en zo van slaven tot vrienden te maken. Hij betaalde de schuld en bevrijdde ons uit de macht van Satan. Zo sprak Hij bij het laatste Avondmaal in Johannes 15 tot zijn discipelen: "Niet jullie hebben Mij, maar Ik heb jullie uitgekozen -natuurlijk met een doel-: om heen te gaan en vrucht te dragen tot eer van de Vader!" Niet: u hebt Mij, maar: Ik heb u! Dat is het wonder van de enige troost: Wij zijn het eigendom van een ander! Onze schat is niet: Wat wij bezitten, wij weten, wij geloven, wij kennen, maar steeds weer omgekeerd: Dat een ander mij vasthoudt, mij bezit, in mij gelooft, mij begrijpt.
Daar ligt de kern van het evangelie. Wat dat voor u en mij mag betekenen wil ik u nog in drie kernwoorden meegeven.Punt 1) Het maakt ons onaantastbaar. Punt 2) Het maakt ons zeker. Punt 3) Het maakt ons toegewijd aan Hem. 1) Het maakt mij onaantastbaar. Het is wel opvallend dat dat het eerste is wat de catechismus noemt na de inzet: "Hij bewaart mij zo dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja, zelfs zo dat alles, letterlijk alles moet meewerken ten goede." Dat bedoel ik met onaantastbaar. Het lijkt een groot woord, maar toch is het dat wat de catechismus bedoelt: Niet dat ons niets meer overkomt - er gebeuren ons soms verschrikkelijke dingen-, maar die verschrikkelijke dingen kunnen ons niet meer scheiden van de liefde van Christus. Ik ben in al die dingen van Hem en dat maakt alle verschil. Ik ben in het midden der golven in Hem als mijn ark geborgen. Maakt dat mij ongevoelig, heft dat mij uit boven het lijden, blijf ik er sto‹cijns onder? Zoiets van: mij kan niets meer raken? Het tegendeel is het geval.
Heel veel dingen raken ons diep, doen zeer, storten ons soms in diepe dalen van bange vragen, en toch mag ik mij in al die diepten het eigendom weten van Christus! En Hij belooft ons: "Uiteindelijk doe ik alle dingen medewerken ten goede, ook de dingen die regelrecht van de duivel kwamen! Hoe weet ik niet, maar ik vertrouw er op. Paulus vertelt in 2 Korinthi‰rs 11 hoe hij eens door een engel van de satan geslagen werd en de Here, toen Paulus er om bad, het kwade niet wegnam, maar het wel deed meewerken ten goede! Het maakte Paulus weer opnieuw diep bewust van de genade, en daardoor een beter apostel. Niet Hij is van mij, maar ik ben van Hem! 2) Het maakt mij heel zeker. Dat is het tweede wat de catechismus zegt, en dat zinspeelt op ‚‚n van de ergste ziekten van de ziel, dat is de scepsis, de diepe onzekerheid van de moderne mens. De mens die denkt vanuit zijn 'ik', die de wondere wending niet kent, die mens blijft onzeker, die blijft twijfelen. Ik denk hierbij aan het schilderij van Cezanne, waarmee hij de moderne schilderkunst inluidde aan het begin van de twintigste eeuw.
Hij ging naar Tahiti en dacht: "Daar is nog pure natuur, daar vind ik het onbedorven leven en zekerheid voor mijn ziel." Maar hij vond er alleen maar achterdocht en agressie. Dan schildert hij het bekende doek over de burgers van Tahiti met ondermeer de kwellende vragen: "Waar kom ik vandaan? Waarheen ga ik? Wie ben ik?" Dat zijn de martelende vragen die de mensen onzeker maken, en die alleen verdwijnen waar ik die wondere wending meemaak waar hier zondag 1 van spreekt: 'ik' wordt uit het centrum verwijderd. Het punt is niet langer of ik Hem ken, maar dat Hij mij kent! Ik luister in openheid naar zijn woord, en dat is het wat Hij mij zegt, vanaf het moment van de doop: Je bent van Mij! Alleen dat maakt mij zeker van eeuwig leven. 3) En dat maakt mij ook bereid, van harte bereid om voortaan voor Hem te leven! Dat is tenslotte het derde wat zondag 1 ons verzekert: echte gehoorzaamheid wordt nooit door dwang bewerkt, het komt alleen als vrucht van vrijheid en liefde.
Dat bedoelde Jezus ook toen Hij in Johannes 15 zei: "U bent nu niet langer slaven, maar u heb ik mijn vrienden genoemd." Het is niet de zweep van de wet, maar de boodschap van de genade die ons van harte bereid maakt voor Hem te leven. En wij vragen ons dan af: "Maar wat kan ik doen om een zo hoge liefde te beantwoorden?" De apostel Paulus geeft het antwoord: "Van nu af aan leef ik niet meer voor mijzelf, maar voor Hem die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft overgegeven." Dat is de derde uitwerking van 'onze enige troost', zoals de Heidelbergse catechismus het noemt. We zagen vanmorgen die wondere wending van zondag 1. Dat is nu 'putten uit de schat der kerk'. Zo hebben onze voorvaderen de vraag beantwoord naar de enige troost, ons enige houvast in de gebrokenheid van het bestaan. En het antwoord is -om nog even terug te komen op het begin-, het is niet het oosterse antwoord: verzinken en onthechten. Het is ook niet het westerse antwoord: ontvluchten en verdringen. Maar het is de ark van Noach, het is Christus. Het is: mij gedragen weten in de golven. Het is: durven nazeggen dat ik het eigendom ben van Jezus Christus.
De enige troost, ze ligt niet in wat ik van Hem weet, geloof, krijg of wat ik voor Hem doe. Het ligt dieper, in wat Hij mij gegeven heeft, hoe Hij mij kent, liefheeft en tot zijn eigendom verworven heeft. Dat alleen geeft mij temidden van alle moeiten iets onaantastbaars, het maakt mij zeker van mijn toekomst en bereid voortaan voor Hem te leven! Dat is de vrucht van die wondere wending in Gods verhouding tot mij. Amen. Terug naar de verkondiging. Voor reacties: mail naar Wim Rietkerk. Meer info over de Nederlands Gereformeerde Kerk van Utrecht op Internet: gjkole@knoware.nl