Preek 4 van 5 uit de serie Heidelbergse Catechismus, Zondag 1-4
zondag 18 februari 1996 · Wim Rietkerk

Gemeente van Christus, Dit is de tweede preek over zondag 3 van de Heidelbergse catechismus. Want we waren eigenlijk nog niet klaar met de behandeling van die grote vraag die daar gesteld wordt, misschien wel de allermoeilijkste van alle vragen, naar de oorsprong van het kwaad: "Heeft dan God de mens zo boos en verkeerd geschapen?" Dat is de vraag naar God en het kwaad. En het antwoord van de catechismus benadrukt de verantwoordelijkheid van de mens: "Nee, want God heeft de mens goed en naar zijn evenbeeld geschapen, dat is in ware gerechtigheid en heiligheid om Hem recht te kennen en om Hem te loven en te prijzen en lief te hebben en met Hem in eeuwige heerlijkheid te leven." En als de catechismus dan doorvraagt: "Waar komt het dan vandaan?", dan valt alle licht op het falen van de mens. Het is de mens die heeft gefaald. Het beeld wat ik in de vorige preek uitwerkte is dat van de zwarte doos. Als een vliegtuig verongelukt moet je de zwarte doos vinden en openmaken en dan kun je aflezen wat er fout ging. Zo heeft ieder mens een zwarte doos, en ook de mensheid heeft er een. We lazen toen daarover in Romeinen 2.

Daar staat dat God op de jongste dag alleen maar die zwarte doos zal opendoen, en dan spoelt Hij het bandje terug, en dan wordt duidelijk wat er mis ging. Daar leest God af dat wij wisten wat goed was, maar dat wij het niet deden. Die lijn volgt de catechismus. En die lijn volgen wij in deze preken ook: De lijn van de menselijke verantwoordelijkheid. En toch heeft dat na de vorige preek verschillende van u onbevredigd achtergelaten of, beter gezegd: half tevreden. Want de waarheid van de menselijke verantwoordelijkheid is maar een lijn. Het is een belangrijke lijn, een noodzakelijke lijn, een pijnlijke waarheid, maar er is ook zoiets als godsbestuur, en goddelijke soevereiniteit, en een God die regeert. Had God dan toch dat alles niet kunnen voorkomen? Staat Hij bij dit alles machteloos? Heeft Hij dan al zijn kaarten uit handen gegeven misschien, zodat de mens maar doen kan wat hij wil? Al die vragen zijn zeker vragen die in de twintigste eeuw aan de orde moeten komen, die de mens blijven kwellen. En daarom las ik bij deze tweede bespreking van zondag 3 uit het boek Job. Want het zijn precies die vragen die Job bleven kwellen.

De vrienden van Job zaten bijna allemaal op die lijn van de menselijke verantwoordelijkheid. In hun toespraken die u kunt lezen in de voorafgaande hoofdstukken, ze zijn eigenlijk in veel opzichten een uitwerking van de Heidelbergse catechismus, zondag 1 - 5. Die vrienden hielden Job voor: "Het kwaad gaat terug op menselijk falen. Kwaad heeft je getroffen en wij huilen met je mee." Want dat deden ze en daar mogen we blij om zijn, want eerst zaten ze zeven dagen en zeven nachten zonder iets te zeggen aan zijn bed. Dat was het allerbeste wat ze deden, maar daarna probeerden ze hem met hun antwoorden te troosten, en ze zeiden: "Job, moet je horen, het gaat allemaal terug op de zonde van de mens. God zegent de rechtvaardige, maar de goddeloze gaat te gronde." (Job 15). En zo had Elifaz allang daarvoor gezegd in hoofdstuk 4: "Wie kan zeggen dat hij rechtvaardig is? Niemand lijdt onschuldig!" Dat staat boven hoofdstuk 4. En dan luisteren we naar Job, in hoofdstuk 16. Job blijft onder al die antwoorden ongetroost. "Iets dergelijks heb ik al vaak gehoord", zegt hij, "Gij zijt allen jammerlijke vertroosters.

Waart ge slechts in mijn plaats, dan zou je wel anders spreken!" En daar raakt Job de kern van het probleem. Wie zelf door een ramp wordt getroffen blijft met alle terechte antwoorden toch altijd onbevredigd. Ons hart blijft doorvragen. Doorvragen naar God toe. Had het echt niet anders gekund? "Kunt U dit aanzien en niets doen? Is dit ooit te rijmen met Uw almacht?" Vragen, vragen en nog eens vragen. Een jongetje van zeven krijgt leukemie. Waarom hij en waarom zo jong? Mevrouw Gebke Koning, zijn moeder, heeft daar een mooi boek over geschreven. Ouders van een vermiste zoon, al maanden in onzekerheid, waarom treft het hen, en hoe moet ik dat begrijpen tegen de achtergrond van ouders die iedere avond het lot van hun kinderen in de handen van God leggen? De vrienden van Job bleven het uitleggen, ze probeerden het met grote nadruk op de menselijke verantwoordelijkheid. Maar Job zegt: "Ik blijf ongetroost!" Job bleef God ermee bestormen, hij roept Hem ter verantwoording. Hij noemt God zijn tegenstander, met pijn. Hij noemt het een gewelddaad, iets wat nooit zou mogen, nooit zou moeten kunnen. Iets wat hij niet verdiend heeft. Hij gaat daarbij over de schreef.

En God roept hem terug, maar toch... Het is een feit dat deze Jobsvragen in de twintigste eeuw de belangrijkste reden zijn waarom mensen niet meer in God geloven. Van alle twijfelvragen die de moderne mens in het geweer brengen tegen het geloof is dit bijna altijd de eerste: "Hoe kan ik het bittere lijden in de wereld nu rijmen met het bestaan van een almachtige en liefdevolle God?" En op die vraag hebben wij niet echt een mooi, gesloten antwoord. Dat is onze verlegenheid, maar er zijn wel heel belangrijke diepte-inzichten die je uit de schrift kan leren. In het engels noemen we dat 'eye-openers'. Een aantal van die vaste steunpunten waar je je aan kunt vastklampen. Een paar daar van, uit het boek Job, wil ik aan u voorleggen. Ik zei al, dit is de reden voor talloos veel mensen om het geloof in God maar op te geven. En mijn vraag aan hen is altijd weer: "Maar heb jij dan wel een oplossing? Is de loochening van God dan wel een oplossing voor je probleem?" Daar heeft Job ook mee geworsteld. We lezen daarover in Job 2: Zijn vrouw koos die weg, net als zoveel mensen in de twintigste eeuw.

Toen zij het doodsbericht ontving van haar zeven zonen en drie dochters, en bovendien haar man aantrof met een ongeneeslijke lichamelijke ziekte (Job 2: 9), toen zei ze tegen Job: "Maar volhardt je nu nog in je vroomheid? Zeg God vaarwel en sterf!" Maar Job zei tegen haar: "Zoals een zottin spreekt, zo spreekt ook gij. Zouden we het goede van God aannemen en het kwade niet?" In dat alles zondigde Job met zijn lippen niet. Hier ligt de eerste 'eye-opener' van het boek Job. De uitweg van de vrouw van Job is de uitweg van de hedendaagse mens. Wij kunnen het lijden van de mens niet rijmen met het bestaan van God, en daarom strepen we God weg. Maar Job noemt dat zotheid, dat wil zeggen onverstand, verblinding. Waarom? Omdat de ontkenning van God het probleem alleen maar erger maakt, nog peilloos oneindig dieper. Want zonder God is er totaal geen licht. Het is daarom ook heel opvallend en met elkaar in tegenspraak, dat aan de ene kant mensen God laten vallen vanwege dat lijden in de wereld, en dat aan de andere kant mensen pas tot geloof in God komen via dat bittere lijden. Precies het omgekeerde!

Het probleem van het lijden heeft veel moderne mensen tot ongeloof gebracht, maar precies hetzelfde geldt ook voor het omgekeerde, hetzelfde lijden heeft ook talloos veel mensen tot geloof in God gebracht. C. S. Lewis noemt het lijden zelfs de luidspreker van God om een slapende wereld wakker te roepen, Gods megafoon. Een voorbeeld: Een gezin, dat niets van de bijbel of God afwist, een buitenkerkelijk gezin, een dochter van negen jaar verloor door verdrinking. Zij hadden vragen: "Hoe kan dit? Onbegrijpelijk, in wat voor wereld leven wij?" En toen heeft hun buurman, een dominee, hun verteld dat je in het geloof inderdaad geen rondgesloten antwoord hebt, maar zonder geloof heb je helemaal niks, dan heb je geen een antwoord! En het meest gangbare antwoord van vandaag is een 'nul- antwoord'. Namelijk: Wat moet een mens anders zeggen dan dat het een foutje is in het evolutieproces! Dat zeggen ze dus. En wie dat zegt troost ouders van een gestorven kind helemaal niet. Die ouders weten dat dat niet waar is, een leugen, dat kan niet. Dit is maar niet een groeifoutje, hier wordt het kwaad gekleineerd, het is geen groeifoutje, het is veel erger.

Dit mocht niet bestaan, dit had nooit gemoeten, dit is kwaad, dit is het hart van het kwaad! Onbestaanbaar. Het hart van het kwaad is dat het nooit had mogen gebeuren, dat het eeuwig onmogelijk had moeten zijn. Demonisch, verfoeilijk, verwerpelijk, onaanvaardbaar. Hoe je het ook noemen wilt. En dat is precies wat de bijbel zegt van het kwaad. In de bijbel blijft het kwaad van de eerste tot de laatste pagina kwaad, het wordt nooit goedgepraat. Buiten het geloof in God om moet het wel zo zijn dat het kwaad op de een of andere wijze wordt ingepast. Buiten God om wordt het kwaad ingepast, als men het onderdeel van een groeiproces noemt, of het wordt onoverwinnelijk geacht, zoals de vrouw van Job het noemt: "Zeg God vaarwel en sterf, en laat de dood maar heersen over je." Die inpassing van het kwaad zien we bij Darwin, het kwaad wordt ingepast in een groeiproces, er komt iets goeds uit voort, het is een onderdeel van een fase, van de evolutie. Maar daarin vindt de ziel van de mens geen troost. En de weg van de vrouw van Job is: Zeg God vaarwel, en dan blijft alleen nog maar de dood.

Dat is de weg van de zelfmoord, zoals Kurt Cobain, of zoals we bij de filosoof Nietsche kunnen lezen: Laat de dood gewoon winnen. En ook dat vermag geen mens te troosten. Wat ik dus lees uit het boek Job is punt een: Met God hebben we een probleem, maar zonder God hebben we een dodelijk probleem. Want als God wegvalt kunnen we niet meer volhouden dat kwaad kwaad is. Je zou kunnen zeggen, een beetje filosofisch: "Als er helemaal geen bestek is, dan kun je dat wat gebouwd wordt nooit afwijzen als iets wat tegen een plan ingaat." Om een voorbeeld te noemen: Er is een tekenaar, die heeft een ideaalbeeld in zijn hoofd, en daarnaar wordt de tekening gemaakt. En je kunt pas zeggen dat de tekening mislukt is als het niet correspondeert met het ideaalbeeld van de tekenaar. Maar is die tekenaar weg, dan heb je geen enkele mogelijkheid om te zeggen dat die tekening fout is! Die tekening is wat hij is, daar kun je alleen stompzinnig in berusten of het kwaad vergoelijken. Dat is het eerste. Job is daarom door het ongeloof niet aangesproken, hij noemt zijn vrouw een zottin, want hij heeft door dat die weg -zeg God vaarwel en sterf- een 'nul-oplossing' is en dus een valstrik. Maar wat dan?

Daarvoor lazen we het zestiende hoofdstuk van het boek Job. Hij blijft ongeremd en met heel zijn hart klagen over het kwaad. Maar hij gaat ermee naar God, naar de tekenaar. Dat is het meest opvallende. Hij kan het niet rijmen met God en met dat wat hij van God begrepen heeft van het ideaalbeeld van de tekening. Hij heeft gelijk. Hij ziet de tekening en hij weet: "Dit klopt niet met het ideaalbeeld wat de tekenaar in zijn hoofd had. Ik ga naar Hem toe!" En zo legt hij zijn klachten voor God, en dan gebeurt er iets heel bijzonders. Job begint te bidden, eerst hoor je hem zijn vuist ballen, God is een tegenstander die de tanden tegen hem knarst, en Job protesteert tegen God. En halverwege gaat zijn beroep, zijn vechten tegen God over in een beroep op God! Dat is wel heel bijzonder (vers 19). Job zegt nu ineens: "Zie, mijn getuige is de hemel". En dat woord getuige is in het hebreeuws niet een 'getuige a-charge', maar een 'getuige decharge', dat wil zeggen het is niet een belastende, maar een vrijpleitende getuige! Die ziet Job in de hemel!

En in het volgende vers noemt hij Hem de 'go'el', het woord wat we in het boek Ruth vaak tegenkomen voor Boaz, en aan het slot voor Obed, de losser, de borg, de pleitbezorger. Job noemt die getuige zijn losser. Een die aan zijn kant staat, het voor hem opneemt, en die tegelijkertijd ook macht heeft bij God, want Hij is in de hemel! Een Middelaar, ‚‚n die hem en God vasthoudt in een onverbreekbaar verbond. En die haalt Job erbij: "Ook al bespotten mij mijn vrienden, nochtans richt zich mijn oog schreiend op God opdat Hij de mens recht doet tegenover God." Wonderlijk gezegd. Een beroep op God tegen God. Ik denk niet dat Job ooit bedoeld heeft dat er een kwade en een goede kant aan God zitten. Die kant gaat de bijbel ook niet op. Maar wat Job wel heel bijzonder diep onder woorden gebracht heeft is dat hij zich beroept op wat hij weet van God tegenover die kant van die ondoorgrondelijke mysterie. En dat is het tweede wat ik wil onderstrepen in het boek Job: God staat niet onbewogen boven of afzijdig van onze pijn en ons verdriet. Dat is natuurlijk een onmisbare kennis om het vol te houden.

Daarom heb ik dat woord uit Jesaja ook boven deze dienst gezet: "In al uw benauwdheid was ook Ik benauwd." Dat zegt de Here tegen Israel. God staat dus niet buiten ons lijden, Hij staat er niet los van, Hij staat er niet boven, eens zal blijken dat Hij er meer onder leed dan wij. Hij laat zich er volledig mee in en Hij gaat er in op. Dat is het tweede wat de bijbel ons zegt. En dat is natuurlijk een ontzaglijk dragend diepte-inzicht wat we mogen hebben. Wat een hoop geeft ons dat in het midden van alle donkerte te weten dat God zich in dat lijden laat betrekken, dat Hij daarin naast ons staat. En dan komt het derde punt, de kern van het boek Job. Dat is natuurlijk de verschijning van God aan Job in de storm, en daar wordt denken wij dan ook het laatste antwoord gegeven. Zal nu de Almachtige eindelijk alles in een 'storm-antwoord' uit gaan leggen? Dat had Hij kunnen doen, op zijn minst had Hij Job toch iets kunnen vertellen van datgene wat wij uit de proloog van het boek lezen.

Hoofdstuk 1, Gods gesprek met de satan, zijn strijd met Job als inzet, het feit dat Hij dan Job in zeker opzicht uitlevert maar toch over hem waakt, dat alles wat zich voltrok in de onzichtbare wereld, daar valt geen woord over. Daar lezen we niets over in Job 38 - 42. God komt met geen enkele uitleg in dat opzicht. Wat doet Hij dan? Hij komt alleen met Zichzelf, Hij verschijnt, dat is het. Dat is het derde wat ik leer uit het boek Job en wat natuurlijk nog veel dieper doorbreekt in het Nieuwe Testament waar we straks zullen eindigen bij het Mattheus-evangelie: God verschijnt! Hij komt met zichzelf in zijn majesteit bij Job, en op Golgotha in zijn zelfopofferende bewogenheid. Bij Job in zijn majesteit, Hij zegt tegen Job: "Maar waar was jij Job, toen Ik de aarde grondvestte? En wat denk jij wel dat jij kunt?" God tempert Job. "Denk je nu echt dat jij het beter weet dan Ik? Denk je echt dat Ik, de Schepper, werkeloos neerzit? Ik, die alles in aanzijn roep, zelfs de pleiaden zijn als een kralenketting om Mij heen, het ganse heelal ligt in mijn hand!", dat zegt God tegen Job en daar gaat Hij vers na vers op door.

En wat wij in een bekend lied zingen dat God zegt: "Heus, wat mijn liefde wil bewerken, dat ontzegt Mij mijn vermogen niet!" En hoe Hij dat doet legt Hij niet uit. Ik kan daar maar een conclusie uit trekken, uit het boek Job, en dat is dat God niet het laatste antwoord geeft, maar dat Hij het is. De God van de bijbel is continue bezig om Zich aan ons te presenteren en te zeggen: "Zo ben Ik!" En dan ons te leren vertrouwen op Hem zonder dat we het nog zien, dat is eigenlijk wat God wil. Blijkbaar wil Hij dat als ons antwoord, dat we op Hem vertrouwen ook als we niet alle antwoorden in de vingers hebben. En zo, door te vertrouwen op Hem ook leren het kwaad te bestrijden, misschien wil God liever dat wij het kwaad bestrijden dan dat wij het begrijpen. Dus Job krijgt in die verschijning een basis om op God te kunnen vertrouwen, en dat is eigenlijk ook een 'kern-antwoord'. Je zou het kunnen vergelijken met een kapitein op een groot schip, wat die zegt tegen een angstige passagier die denkt dat het fout gaat, dat ze de golven in gaan. Die kapitein kan natuurlijk niet in vijf minuten zijn navigatiewijsheden, die hij zelf in tien jaar heeft geleerd, gaan uitleggen.

Maar hij kan wel vertrouwen wekken door te zeggen: "Kijk hier in de stuurkamer, het loopt me niet uit de hand, je kunt op me vertrouwen." En door zo te spreken wekt hij basis voor vertrouwen, en dan durft de passagier het weer aan. We eindigden in deze dienst de schriftlezing met de dood van Jezus aan het kruis: "Toen zei de hoofdman, een Romein,: "Zie, deze was een zoon van God!", en het voorhangsel van de tempel scheurde open van boven naar beneden. En het allerheiligste lag bloot voor aller oog." Dat vind ik een schitterend beeld, daar zien we God in het hart, dat ligt in het verlengde van Job. In Jezus heeft God ons nog dieper laten zien wie Hij is en hoe diep bewogen Hij met ons is. Daar onderging Hij zelfs helse pijn: de dood. Nu, alle vragen beantwoordt dat niet, maar het geeft ons wel een basis om op God te vertrouwen. Als Hij ons zijn Zoon gegeven heeft, zal Hij ons dan ook niet met Hem alle dingen schenken? God wil blijkbaar liever dat wij het kwaad bestrijden door te vertrouwen en tegengas te geven dan dat wij het begrijpen. Hij geeft ons een basis om op Hem te vertrouwen.

"Hier zie je hoe Ik ben, hoe diep Ik je liefheb, wat Ik voor je over heb!", dat zegt God en Hij belooft ons zijn aanwezigheid steeds weer, temidden van het lijden, temidden van de golven komt Jezus en loopt op het wankele bootje toe. Dit waren zo wat bijbelse antwoorden op het grootste vraagstuk van onze tijd naar de oorsprong van het kwaad. Samenvattend: We concentreerden ons in deze dienst op die andere lijn. De ene lijn was die van de menselijke verantwoordelijkheid, nu de lijn van Gods soevereiniteit, zijn allesomvattend bestuur. Daar vlammen de vragen door en ze snijden door ons heen als we denken aan zoveel om ons heen. Maar drie dingen lieten we ons leren uit het boek Job. 1. Met God is er een probleem, maar zonder Hem is er een dodelijk probleem. 2. De God van de bijbel zegt: "In al uw benauwdheid was ook Ik benauwd", en daar mogen we ons op beroepen, op God tegen God. 3. God geeft niet altijd het antwoord, Hij is het antwoord. En zo schept God in ons vertrouwen om het vol te houden en het kwaad meer te bestrijden dan het te begrijpen. Amen. Terug naar de verkondiging. Voor reacties: mail naar Wim Rietkerk.

Meer info over de Nederlands Gereformeerde Kerk van Utrecht op Internet: gjkole@knoware.nl