Gemeente van Christus, Twee beelden hef ik bij Maleachi omhoog, het eerste in hoofdstuk 3: 3a: hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend, en het tweede in hoofdstuk 4:2: maar voor u die mijn naam vreest zal de zon der gerechtigheid opgaan en er zal genezing zijn onder haar vleugelen. Het eerste beeld koos ik omdat hier de kracht ligt van deze kleine profeet in de adventstijd. Want Maleachi trad 50 jaar na de ballingschap op, in een tijd waarin als het ware het hoogtepunt van de terugkeer en de herbouw van de tempel en de inwijding van de tempel achter de rug lag, en nu zijn heel veel mensen teleurgesteld, en ook wat cynisch. Het is een tijd van geestelijke inzinking. De donkerte tussen de testamenten, zou je kunnen zeggen. Bij Maleachi houdt het oude testament op en daarna komt Mattheüs met de geboorte van Jezus Christus. En in die donkerte tussen de testamenten geeft Maleachi heilsbeloften. Hij ook. De andere elf kleine profeten deden dat ook, maar Maleachi wel in het bijzonder, vooral aan het slot met die twee beelden, bemoedigende beloften.
Hij zegt: "Hou vol, want de Heer is op komst!" En dan vergelijkt hij Zijn komst met twee activiteiten: Hij komt als een zilversmid en Hij is als de zon der gerechtigheid die opgaat over deze wereld. Die twee beelden willen we tot ons laten spreken. Dit hele boek is genoemd: 'mijn bode', waarschijnlijk is daarmee Johannes de Doper bedoeld, dat valt samen met Elia die in hoofdstuk 4 wordt genoemd: Johannes de Doper als de teruggekeerde Elia, deze gaat als een bode aan de komst van de Messias vooraf. En die Messias verschijnt tot de Zijnen, Levieten en priesters, heel kritisch, als een zilversmid. Dat is het eerste beeld, een heel bemoedigend beeld. En tegelijkertijd verschijnt Hij universeel over deze wereld voor allen, als de Zon der gerechtigheid met genezing onder zijn vleugels. Een bijzonder beeld. Vooraf nog even dit, want even een doorkijkje door de hele profeet kunnen we toch niet missen: Wat is nu het meest typische van Maleachi? Dat zijn die korte dialogen, de korte gesprekjes die hij heeft met de mensen. Hij is daarin heel eigentijds. Hij is geen preker die vanaf de hoge kansel alleen maar woorden uitspreekt in een monoloog.
Nee, hij luistert naar wat de mensen te zeggen hebben. En door heel het boek heen loopt in vast refrein het gesprek met zijn tijdgenoten. "En dan zegt gij....", zegt hij steeds, en dan komt een weerwoord. Er zijn zeven van zulke momenten, die als een doorgaande lijn typerend zijn voor de, ik zou haast zeggen 'postmoderne apologeet'. Want zo moet je het doen, ook in onze tijd, in een echt gesprek treden met de mensen. Maar wat hoort hij dan? De profeet begint met het eerste in hoofdstuk 1: Ik heb u onveranderd lief. Het boek begint met waar het evangelie altijd begint. En dan krijg je in hoofdstuk 2 dat eerste weerwoord: Maar dan zegt gij: "Maar waarin hebt Gij dan uw liefde betoond? Waaruit blijkt het?" Het tweede gesprek, we lazen dat ook in hoofdstuk 1 als dan de profeet zegt: "Let eens op wat jullie aan het doen zijn. Jullie priesters brengen offers, maar als je zo je eigen landvoogd zou behandelen, dan zou die absoluut zijn deur voor jullie gezicht dichtsmijten!" Want wat doen ze? Van al de dieren die geofferd werden kozen ze juist de manke, de lamme en de blinde uit, en die brachten ze tot offer, denkend: Dan houden wij al het mooie en goede!
Maar als de profeet hen daarop gewezen heeft en daarbij zegt: "Jullie verachten de naam van God en jullie behandelen Hem minderwaardig", dan zeggen ze: "Maar waarin verachten wij nou de Naam van God? En waarin hebben wij Hem nu minderwaardig behandeld?" In hoofdstuk 2 zegt de profeet: "Jullie staan krokodillentranen te wenen boven het altaar!" Wat bedoelde hij? Israël zei: we offeren en we offeren, maar het lijkt alsof er nooit een antwoord terug komt. God verhoort onze gebeden niet. En Maleachi antwoordt: "En dan vraagt gij nog waarom?" Dus weer maakt hij zich de tolk van dat bitse, wrange weerstandsgevoel wat de mensen tonen. In hoofdstuk 2: 17 zegt Maleachi: "Jullie vermoeien God met uw woorden. En dan zegt gij: "Maar waarmee vermoeien wij Hem dan?" In hoofdstuk 3: 7 wekt de profeet op tot terugkeer. Hij zegt: "Keer je om, keer je om tot God. En dan zeggen jullie: "Maar in welk opzicht moeten we ons dan bekeren?" En in hoofdstuk 3: 8 zegt de profeet in bewogenheid tegen hen: "Mag een mens God beroven? En dan zegt gij: "Maar waarin beroven we Hem dan?" En tenslotte in hoofdstuk 3: 13 vat de profeet alles samen en hij zegt: "Jullie woorden over Mij", zegt de Here, "zijn vermetel".
En dan zegt gij: "Maar wanneer zijn we ooit vermetel geweest? Waarin hebben we nu ooit vermetel over Hem gesproken?" Wat proeven we nou in deze zeven voorbeelden die zo als een lijn door het hele boek lopen? Aan de ene kant vind ik het verademend dat Maleachi de gespreksgenoot aan het woord laat komen: hij treedt in gesprek. Maar als hij dat doet, dan bespeurt hij ineens iets wat door al die kleine gesprekjes heen loopt en wat is dat? Dat zou ik graag proberen onder woorden te brengen. Het is iets wat ik ook geproefd heb in dat kleine zinnetje, wat een gevleugeld woord geworden is, zelfs in de christelijke kring van Gerard van het Reve: Dat Koninkrijk van U, komt daar nog wat van? U kent het misschien ook. Daar zit iets in waar we ons mee kunnen vereenzelvigen -want wie kan dat niet?- en dat geldt eigenlijk voor al die zeven korte gesprekjes. Aan de andere kant snijdt dat me door het hart en waardoor komt dat? Er kwam me een woord voor de geest van de apostel Paulus uit de Korinthiërs brief. Paulus die op een gegeven moment tegen de gemeenteleden uitbarst: "Ge hebt geen besef van God! Tot uw beschaming moet ik dat u zeggen".
Zoiets van een familiariteit tegenover God waarbij zelfs de Almachtige verlaagt wordt tot de eerste de beste schooljongen. En dat is nu waar de profeet op ingaat. Geen brede discussies ten antwoord, maar hij peilt dat gemis aan eerbied, want dat is het. Een soort van twisterig tegenspreken zonder enig besef van wat er nu werkelijk speelt als je staat voor het aangezicht van de Almachtige! En daar gaat hij op in. Daarom begon ik de lezing ook bij hoofdstuk 1 waarbij Maleachi een voorbeeld neemt uit de maatschappij, zoals Jesaja zei: "Zelfs een rund kent zijn eigenaar en een os en een ezel degene die hem bezit, maar Mijn volk heeft geen inzicht!" Zo zegt Maleachi -en het is wel opvallend dat hij die twee beelden neemt-: "De zoon eert zijn vader, en een knecht zijn heer, maar wanneer Ik tot jullie spreek, waar is dan de eerbied voor Mij?" Dat hij dat zo samenbrengt vind ik heel bijzonder want het laat in één beeld zien waar het de profeet om gaat, waar hij zijn vinger bij legt.
Echt kennen van God is altijd een mengeling van kinderlijk vertrouwen wat nooit tot familiariteit leidt -een zoon kent zijn vader- maar ook van dat andere, van een heel diep ontzag, wat nooit tot slaafse kruiperigheid leidt. Zo schetst hij in een paar pennenstreken wat de echte houding is die de profeet wil zien. We zongen: Hoe zal ik U ontvangen, hoe wilt Gij zijn ontmoet? Als dan de profeet Maleachi de komst van de Messias aankondigt en wij ons daar op voorbereiden, dan denk ik dat dit korte schetsje van de hoofdlijn van Maleachi ons heel veel te zeggen heeft. Laten we toch vooral dát in de eerste plaats bij ons laten doorkomen, dat wij die houding van eerbied kennen. En dat badinerende en dat twisterige en dat familiaire, dat totaal afwezige van besef van God, dat dat ons niet aankleeft. Ik proef dat bijvoorbeeld ook in de hele manier van praten rondom dat thema van de boekenweek: Mijn God. Als er ooit badinerend en in de stijl van die zeven twistgesprekken gesproken is over God, dan is het in Nederland, in die boekenweek.
En de profeet Maleachi zou gezegd hebben: "Waar is de eerbied voor Mij?" We kunnen dan alleen echt kerstfeest vieren, als we in een houding van diepe eerbied komen voor God, ja, zeker met diep innerlijk vertrouwen, maar tegelijkertijd nooit familiair, maar met een heel diep besef van ontzag voor Zijn heiligheid en Zijn grootheid. Dat is wat ik als eerste in die twee hoofdstukken tegenkom. Want die familiaire twisterigheid, dat wrange, soms cynische in de verhouding met God, de verhouding omhoog, werkt zich ook door in de verhouding opzij. Dat is hoofdstuk 2. Want ineens wordt men ook heel los in allerlei seksueel gedrag. Maleachi noemt echtscheidingen onder de priesters, de één na de ander, maar hij heeft het ook over slechte betaling van je arbeiders, en de wees en de weduwe worden niet meer bezocht en de vreemdelingen laten ze links liggen. Het hele rijtje. Het één hangt met het ander samen. De diepe eerbied, de vreze voor God, hangt samen met de liefde voor de naaste. Dan leren we heel gevoelig de geboden: God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf.
Als Maleachi zo in hoofdstuk 1 en 2 als het ware pratenderwijs met zijn tijdgenoten de basis gelegd heeft, iets gezegd heeft van hoe wij dan de komst van de Messias tegemoet moeten leven, dan komt hij met zijn twee bijzonder gekozen beelden. De eerste is: Hij zal zitten als een zilversmid. Ik vond die zin heel bijzonder, vooral dat zitten. Ik heb eens met een echte zilversmid gesproken, die vertelde: "Dat zitten is heel belangrijk bij dat werk. Je zet een grote pot neer, doet daar al het oude zilverwerk in, en soms ook gesteente met zo'n zilverader. Dat wordt op een kolenvuur verhit, en dan gaat het smelten. Als je zilver verhit, komt er zuurstof vrij, wel twintig keer het eigen volume, dus dat borrelt en dat pruttelt, en langzamerhand is dat proces voorbij en de zilversmid zit daar letterlijk bij, kijkt in die pot, en moet zien -als hij een goede vakman is-, wanneer de pot van het vuur af moet. Dat moet precies op het goede moment, want als hij het te vroeg doet dan zit er nog vuil in het zilver, dan is het niet mooi. Doet hij het te laat dan trekt het zilver weer zuurstof aan, dan wordt het dof.
Daarom zit hij erbij, en dat zitten is het meest kenmerkend, en hij loutert het zilver, en precies op het moment dat het zilver gaat glanzen, het moment dat hij zijn gezicht in dat zilver weerspiegelt ziet, op dat moment trekt hij de pot van het vuur, dan is het klaar." Ik zei al, natuurlijk is het een beeld waarmee Maleachi het louteren wil laten zien. Het kwaad, de zonde, die oneerbiedigheid, zoals bij de zonen van Levi, want het kleefde vooral ook de priesters aan, daarvan wil God hen louteren. Maar er zit ook iets bijzonder bemoedigends in, want op het moment waarop Hij Zijn gezicht, Zijn beeld ziet in dat zilver, dan is het vuil eruit. Het deed mij denken aan een groot woord van de apostel Paulus in Romeinen 8, daar zegt de apostel: "En die Hij gekend heeft, heeft Hij tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen." Dat is een plechtig woord, maar daar staat eigenlijk dat God net zo lang aan ons sleutelt, loutert als een zilversmid, totdat het beeld van Zichzelf, dat is toch het beeld van Jezus, in ons zichtbaar wordt. En op dat moment is pas het proces voorbij.
Eigenlijk een machtig beeld van de manier waarop God met ons bezig is, ons leven lang. Wij worden ons leven lang gereinigd en gelouterd, en het houdt pas op als God Zijn gezicht ziet in ons, wanneer wij beelddrager worden van Hem, dat beeld waarnaar Hij ons geschapen heeft: En God schiep de mens naar Zijn beeld. Dat beeld wordt vernieuwd door Jezus, en wij worden omgevormd naar het beeld van Zijn Zoon. En dat is het werk van die Zilversmid, een prachtig beeld van wat Jezus is komen doen. Daarvoor is Hij gekomen om ons zo om te vormen naar het beeld van God wat Hij zelf is. Dat is het eerste beeld, daar zit iets in van branden en louteren, maar ook iets heel diep bemoedigends. En datzelfde vind je terug in het tweede beeld: Maar voor u die Mij vreest, maar voor allen die eerbied voor Mij hebben (Groot Nieuws vertaling) zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder zijn vleugelen. Maleachi staat voor die eerbied. In het oude Egypte beeldde men de zon vaak af met vleugels. En onder mijn vleugelen zal ik u hoeden, dat is een heel diep bijbels beeld van God, van zijn moederlijke zorg. En ik denk dat dát ons bij mag blijven op ons netvlies, als we kerstfeest vieren.
De zon der gerechtigheid is over deze wereld al opgegaan! Het licht van deze wereld is reddend verschenen! De Here Jezus is geboren in Bethlehem, en Zijn werk wordt gekenmerkt door twee dingen: gerechtigheid en genezing. Het is ook opvallend dat het in die volgorde staat: eerst gerechtigheid en dan genezing. Niet dat die genezing niet al een schaduw vooruit werpt, alle wonderen die Jezus gedaan heeft zijn tekenen van dat laatste, finale, grote werk van genezing wat Hij komt doen als Hij terugkomt. Bij zijn eerste komst ligt alle nadruk op gerechtigheid, bij de tweede komst alle nadruk op genezing. Daarom mogen we ook zijn wederkomst met zoveel verlangen tegemoet zien. Heel veel gereformeerde mensen zijn er eigenlijk een beetje bang voor. Dan denken ze: "Ik zie er eigenlijk helemaal niet naar uit!", want ze hebben gehoord dat Hij dan komt om te straffen. Maar dat is helemaal geen bijbels beeld. Hij komt ter genezing. De Rechter is de Rechtzetter, Hij komt ter vernieuwing, Hij komt genezen. En zoals Hij als de Zon der gerechtigheid is opgegaan in Bethlehem, zo komt Hij met genezing onder zijn vleugelen wanneer zijn voeten zullen staan op de Olijfberg.
Zo zegt Zacharia het, en of dat letterlijk zo is? Ik hoop het, maar ik weet het niet, maar in elk geval: zoals Hij is heengegaan zo zal Hij verschijnen, Hij komt deze wereld genezen. Het mooiste voorbeeld daarvan vind ik in de evangeliën, in het evangelie van Marcus, dat verhaal van die lamme man die door zijn vrienden naar Jezus wordt gebracht. Ze kunnen niet bij Hem komen, want er staan te veel mensen om Hem heen. Dan gaan ze het dak op en lichten de tegels van het platte dak op, en laten hem aan touwen zakken voor Jezus' voeten. En let dan eens op wat Jezus doet. Die verlamde man ligt daar en denkt: ik kom hier natuurlijk voor mijn lamme benen! Maar Jezus zegt: "Uw zonden zijn u vergeven!" En dan ziet Hij de schriftgeleerden die erbij staan denken: wat nu zonden vergeven? Dat kan God alleen, wat matigt deze mens zich aan? En anderen zullen gedacht hebben: ja, zonden vergeven, dat kan Hij makkelijk zeggen, dat kun je nergens aan zien! Jezus ziet dat allemaal.
En dan zegt Hij : Om jullie te laten zien dat Ik de macht heb zonden te vergeven, -en Hij zal ook gedacht hebben: om iets te laten zien van hoe echt waar dat is, eerst gerechtigheid en dan geef Ik u ook genezing- sta op en wandel! En de man staat op van zijn bed, neemt zijn matras op en loopt het vertrek uit, God verheerlijkend. Daar zie je nu in één klein geschiedenisje de illustratie bij Maleachi 4. Eerst gerechtigheid, -want je moet eerst met God verzoend zijn, eerst moeten je zonden zijn vergeven, en dat is het eerste wat Hij tegen die man zegt-, en dan daarna, als iedereen denkt: is dat niet goedkoop, of heeft Hij wel het recht ertoe?, dan zegt Hij, als teken van wat Hij wereldwijd zal gaan doen: Sta op en wandel! En zo zal Hij als Hij terugkeert universeel tegen alle lammen en doven en gewonden zeggen: Sta op en wandel! Hij komt met genezing onder Zijn vleugelen. Een machtig beeld van wat de hele Schrift ons voorhoudt. Dat wij mogen schuilen bij Hem. We begonnen met: hoe zal Ik U ontvangen, hoe wilt Gij zijn ontmoet?
Wanneer we Maleachi lezen zou ik zeggen: de beste manier waarop wij Hem ontvangen is door ons daar op voor te bereiden, geconcentreerd op die twee beelden: de zilversmid en de zon der gerechtigheid. Bij de zilversmid laten we ons aanspreken: zit die badinerende toon misschien ook in mijn agressieve weerwoorden? Heb ik de eerbied gevonden die de grondhouding moet zijn om Jezus te ontvangen? Zoals daar de kribbe in Bethlehem Hem ontving, zo mogen wij Hem in ons hart ontvangen. Iedere dag opnieuw, ieder kerstfeest in het bijzonder. Maar het tweede is dat wij uitzien naar Zijn wederkomst, dat Hij zal komen met genezing onder Zijn vleugelen, en dan zullen we schuilen onder Zijn vleugelen, zoal kuikens bij de hen. En dan overkomt ons totale genezing. En Maleachi zegt aan het eind, en ik kan begrijpen dat hij maar één beeld ziet: Als dat gebeurt worden we net zo blij als kalveren die in het voorjaar de wei in mogen. Dat is het beeld wat Maleachi krijgt als hij denkt aan de zon der gerechtigheid met genezing onder zijn vleugelen: als uitgelaten kalveren zullen we dartelen in de lente. Uitgaan na een winter in gevangenschap. Zo groot zal onze vreugde zijn.
Amen. ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.