Gemeente van Christus, Deze eerste kleine profeet, Hosea, de eerste uit de reeks, is in het boek van de profeten wat 1 Corinthe 13 is in de brieven van het Nieuwe Testament. Noem het maar het Hooglied van de liefde. Want daar gaat het over in dit boek. Het gaat eigenlijk over de kwaliteit van liefde. Kan je liefde leren? Is liefde een gevoel? Kan je blijven liefhebben, ook na 40 jaar getrouwd te zijn? Of gaat het over na een tijdje? Wat moet je doen om het te leren? Waar vallen we op terug? Zoals we hier allemaal zitten weten we dat liefde het hoofdgebod is: liefde tot God en liefde tot je naaste. Dat wordt ons ook iedere zondag voorgehouden. Want God is liefde. Maar wat is liefde? Wat we in 1 Corinthe 13 horen, in abstracte taal, in woorden, dat wordt in het boek Hosea in beeldende taal, als een stukje geschiedenis voor ogen geschilderd. Hosea, de profeet die ons heeft geleerd wat ware liefde is. Hosea geeft het venster op God, op het hart van God; Joël heeft het over de geschiedenis, en Amos is de profeet van de sociale bewogenheid. We gaan stap voor stap een facet van wat deze -zogenaamd kleine- profeten ons te zeggen hebben tot ons laten spreken.
Zogenaamd klein, want het zijn grote profeten. Klein slaat alleen op de omvang van het boek. De twaalf profeten bij elkaar beslaan ze 10035 verzen, en alleen al de profeet Ezechiël beslaat 1237 verzen, dus in dat opzicht zijn ze klein. Maar verder zijn het grote gestalten uit Israëls geschiedenis die ons, zoals hier bij Hosea, een blik geven in het hart van God. En daar kunnen we tot vandaag mee doen! In die eerste tekst wordt ons geleerd wat liefde niet is (Hosea 6:4), en in de tweede tekst wat de kern is van de liefde van God. (Hosea 11:8) Wat het niet is: In hoofdstuk 6 komt eigenlijk de gekwetste minnaar aan het woord. Is dat wel van toepassing op de Here God Zelf? Ja, als je het leest staat er: "Wat zal Ik u aandoen, o Efraïm? Wat zal Ik u aandoen, o Juda?" Daarbij is Ik het onderwerp van de zin, met een hoofdletter. Wat zal Ik u aandoen. Het gaat hier dus inderdaad over God, over Hemzelf. Hij is diep gekwetst, zo diep over Israël gekwetst, dat Hij zegt: Wat zal Ik u aandoen? God is heel diep gekwetst in zijn omgang met Israël.
En het unieke van de profeet Hosea is, dat hij de boodschap van God, de kernboodschap, niet alleen moest doorgeven met woorden, maar hij moest het zelf aan den lijve ondervinden wat God voelde in zijn relatie met Israël. Daarom heeft Hosea die opdracht gekregen, waarvan we lazen in hoofdstuk 1. God zegt dan tegen Hosea: Ga er op uit en bemin een hoer, een tempelprostituee. Dat is niet in een visioen gebeurd, of in een droom, zoals sommige commentaren menen te zeggen. Nee, dit is werkelijk zo gebeurd! Deze opdracht heeft Hosea gekregen: Ga naar dat tempelcomplex! Prostitutie werd in die tijd in Israël bedreven rond het tempelcomplex, daar waren aan de tempel verbonden prostituées, en er zat aan dat overspel altijd een religieus tintje. Want als je naar die publieke vrouwen ging en overspel bedreef, dan beïnvloedde je ook nog een keer de god van de vruchtbaarheid: Baäl en Astarte, dan kon je nog rekenen op meer vee, betere oogst, en zo trok Israël massaal naar die tempels! En nu zegt God tegen Hosea: Ga naar dat tempelcomplex, naar de prostituées, kies er één uit, en koop haar vrij! Ga van haar houden, trouw met haar, en verwek uit haar kinderen. En Hosea gehoorzaamt.
Hij trouwt met Gomer. En wat er dan gebeurt wordt in het boek steeds tussen de regels door beschreven, want als bij die vrouw de eerste liefde voorbij is dan verloochent ze haar aard niet. Steeds weer opnieuw trekt ze naar vreemde mannen. En dan komt die klacht, in Hosea 6. De Here God zegt: "Kijk Hosea, nu weet je wat Ik voel in mijn relatie tot Israël. Ik zou u wat kunnen aandoen!" Nu, dat heeft Hosea ook vaak gedacht: Ik kan haar wel wat aandoen! En waarom? Er staat: uw liefde was als een morgenwolk, als een dauw die in de vroegte vergaat. En daar ligt nu dus de diepe kritiek van God op de liefde van Israël. Ze is niet afwezig, maar ze is vluchtig. Ze is niet afwezig, maar ze is tijdelijk, ze is een opwelling, die zodra de zon maar een beetje gaat schijnen verdwijnt. Dat is een heel bijzonder beeld: uw liefde is als een morgenwolk die zich als een dauw over het veld verspreidt. Morgendauw, en dan komt de zon en die brandt, en lost dat allemaal op in het niets. Ik denk dat het precies zo gegaan is tussen Hosea en Gomer. Ze schijnt hem in de aanvang best bemind te hebben maar toen de eerste liefde over was, toen is ze het met andere mannen gaan houden: uw liefde is als morgendauw.
En vraag die boven komt, en dat is precies ook de goede vraag die wij vandaag nodig hebben: Wat is onze liefde? Wat is de kwaliteit van onze liefde? Wij, die ondergedompeld worden in een eros-cultuur, want driekwart van alle liedjes en van alle films vallen in het genre van 'I love you'. Liefde als opwelling, liefde die voorbijgaat, die als het er op aan komt teleurstelt, liefde die eigenlijk helemaal zwijmelt van zichzelf: onrijpe liefde. Dat is precies wat God op Israël tegen heeft. En wat Hem heel diep geraakt heeft. Eros is bij hen niet verdiept tot agapè. Uw liefde was als morgendauw, een gevoelsopwelling. Een mooi lied in de kerk, een ontroering bij de Mattheuspassion, een incidentele daad, wat geld voor dit of dat goede doel, maar toen de zon opkwam was het weg. Toen de aanbrak, daar midden op de beurs, midden op de binnenhof, in de collegezaal, op kantoor, op school, in de volheid van de dag toen het aankwam op die rustige, bewuste, krachtige, dragende toewijding, toen was het alleen maar lucht. Uw liefde was als een morgenwolk, als een dauw die in de vroegte vergaat.
"En daarom", zegt Hosea, "heb ik er met mijn profetieën op ingehouwen." En daarom begrijpen we waarom het bij de liturgie in de kerk zo vaak draait om zonde en schuld. Daar zit gekwetstheid achter. God is als een minnaar die niet verder kan komen bij zijn geliefde dan zo nu en dan eens een avondje uit. Dat is het eerste en het negatieve deel van de preek. Eros is mooi, niets fout aan verliefdheid, romantiek hoort erbij, net als de morgendauw bij de dag, alleen, denk niet dat dat de eigenlijke liefde is waar het in de bijbel om draait. Als die liefde niet verdiept is, als ze wegsmelt met de kracht van de zon, dan blijkt haar ijdelheid. Je zou je af kunnen vragen: liefde als gevoelsopwelling, liefde als een korte aandoening, liefde als eros, is dat de liefde die God van ons vraagt? Ik moet zeggen dat het me opviel dat het in Hosea 14 in het laatste hoofdstuk, positief voorkomt. Het is heel opvallend, daar komt die liefde voor als een milde verkwikking, een wezenlijk onderdeel van de liefde van God. In vers 6 staat: Mijn liefde zal ook zijn als de morgendauw. Het lijkt wel of God zegt: Het moet bij de morgendauw niet blijven, maar het hoort er wel bij.
Het moet er niet bij blijven, want dan is het uiterst ontoereikend, en uiteindelijk diep kwetsend voor de partner. We kunnen dit eerste deel van de preek natuurlijk niet beëindigen zonder onszelf die gewetensvraag te stellen in onze, in mijn relatie tot God: Hoe is de kwaliteit van de liefde tot Hem? Is ze echt? Is ze duurzaam? Trotseert ze de hitte van de dag? Of blijkt het toch uiteindelijk maar morgendauw? En als je eerlijk bent en zegt: het is dat laatste, weet dan wel hoe diep dat God treft. Je zou haast kunnen zeggen dat de hele bijbel erom draait, om dat punt: hoe kan de Here God ons zover brengen dat wij in vrijheid, spontaan, zelf, vanuit de morgendauw komen tot de ware liefde? Vanuit de eros groeien naar de agapè van 1 Cor. 13? Dat mag ons op deze zondag wel in het bijzonder treffen na de dood van moeder Theresa. Na dit eerste diep-kritische vers, uit hoofdstuk 6, nu dat tweede vers uit hoofdstuk 11. Daar wordt doorgestoten naar de gestalte van ware liefde. Het begint weer opnieuw met gekwetstheid.
Hosea is een gekwetst boek, een historische terugblik, we hebben het gelezen in hoofdstuk 11: "Toen Israël een kind was heb Ik het liefgehad, uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen, maar hoe meer Ik hen riep, des te meer dwaalden ze weg." Het gaat over Efraïm, en ik moet hier vaak denken aan de Brits- Israëlbeweging die zegt: Efraïm dat is Europa. Ze zeggen dat letterlijk, of dat echt zo is weet ik niet, maar geestelijk hebben ze gelijk. God heeft een hele speciale verbondsrelatie met Europa in het nieuwe verbond. Weggeroepen uit een verstikkend diensthuis van het heidendom en tot hoge positie gekomen. Heel de wereld is onder de invloed van Europa gekomen, maar hoe zwak is die wederliefde van Europa geweest? Hoe meer je ze roept des te meer dwalen ze weg (vers 2). Zoiets kun je eigenlijk nauwelijks zonder tranen lezen. Die altijd weer trekkende liefde van God tot Israël, zijn zoon, -later zegt Ezechiël: heeft Hij zich Israël tot zijn bruid gewonnen-, en dan altijd weer die afkerige blik naar andere minnaars! In vers 3: "Ik leerde Efraïm lopen, Ik nam hen op mijn arm, maar ze erkenden niet dat Ik het was die hen genas.
Met mensenhanden trok Ik hen, met koorden der liefde, maar ze liepen andere goden na!". Onder als deze woorden hoor je natuurlijk steeds weer ook Hosea, met zijn gekwetste liefde. Gomer, die hij tot zijn vrouw nam, prachtig kleedde, sieraden gaf, maar wat was haar antwoord? Ze kon haar hoerennatuur niet verloochenen. Hosea zegt: "En het pijnlijkste was nog als ze zei van dingen die ik haar gaf: die heb ik van mijn minnaars gekregen." Wat is dan de reactie bij de ander? Eerst pijn, het vlamt als een pijn, en dan daarna hele diepe teleurstelling, en daarna woede. "Zal Ik ze weer terugvoeren naar Egypte?", zegt de Here, "Wacht, Ik stuur ze naar Assur!" Die was tien keer zo wreed als Egypte. "En dan moeten ze het maar voelen, en als ze tot Mij roepen, dan luister Ik niet!" Voelt u de woede? "Hij zal ze geenszins opheffen", zegt de profeet. En dan ineens, als die woede eruit is, die wondere wending.
Dan zegt de Here, over Efraïm: "Maar hoe zou Ik u -twee andere steden in die buurt, Adama en Zeboïm-, ooit kunnen prijsgeven, u overleveren, o Israël, u omkeren als Sodom en Gomorra, Ik kan het niet over Mijn hart verkrijgen, Mijn hart keert zich in Mij om, ten volle wordt Mijn erbarming opgewekt." Pijn, teleurstelling, woede, maar ineens slaat dat om in ontferming en in daden van trouw. Het hele boek Hosea zegt: "Kijk, zo is God. Hij zegt: Ik zal mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen, want Ik ben God en geen mens, Ik ben heilig in uw midden." Mooi is dat, dat heilig hier dus is: God is de gans Andere, is Liefde. Hier zien we in enkele zinnen zo het beeld geschetst het beeld van ware liefde. Hier staat niet verstand tegenover gevoel, of saaie routine tegenover erotische opwelling, hier staat diepe, zelfwegcijferende passie tegenover vluchtige, zelfcentrale emotie. Hier wordt de eros verdiept tot agapè. En deze liefde, die de liefde van God is, gaat zo diep, dat het ook vasthoudt waar de ander loslaat. Die gaat zo diep dat het ook doorgaat waar het niet wordt beloond, waar er geen weerwoord komt. Zover, dat ze vergeeft, ook waar de ander faalt. Dat is een wonder.
Dat is het wonder van 1 Corinthe 13: de liefde is onbaatzuchtig, ze is niet opgeblazen, ze zoekt zichzelf niet, ze wordt niet verbitterd, ze rekent het kwade niet toe, ze is niet blij over ongerechtigheid, maar ze is blij met de waarheid. Alleen: alles bedekt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, alles verdraagt ze. Nu, die liefde vergaat nimmermeer. Dat is de liefde van God, in Jezus Christus. Want Hosea 11, 1 Corinthe 13, dat is geen menselijke liefde. Onze menselijke liefde, we zagen het in het eerste punt, is als morgendauw. Daar schetteren onze radio's van, en daar schrijft de boulevardpers over, dat draait in onze bioscopen. Maar de ware liefde dat is deze zelfverloren, diepe passie, die zich omzet in daden van zelfverloochening en toewijding. Fijn dat zoveel mensen dat in een vrouw als Moeder Theresa hebben opgemerkt. Maar zij zou zelf de eerste zijn die van zichzelf zou hebben afgewezen, op Jezus. Een korte samenvatting tot slot. Het eerste boek van de twaalf kleine profeten is Hosea. Het brengt ons helemaal bij de kern van het evangelie.
De liefde van God, niet als een morgendauw, maar als de constante, diepe bewogenheid van God die pijn kent en teleurstelling en woede, maar die dan ineens omslaat uit diepe gronden die niemand bevroedde, in ontferming en vergeving, en in daden van trouw. Eigenlijk is de mooiste omschrijving van liefde: verbondstrouw. Een God die niet losliet wat zijn hand begon. Vanaf het prilste begin, tot het moment waarop Hij zal zijn alles en in allen. Zo is Hij, God, en geen mens, heilig in ons midden. Amen. ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.